Het weer en de loop der dingen

Jan Buisman (89) beschrijft de invloed van het weer op de geschiedenis. Daar is te weinig oog voor, vindt hij. Zijn nieuwe boek is net verschenen, en er moeten er nog vier volgen.

Foto Evelyne Jacq

Zijn opzienbarendste arbeid heeft Jan Buisman na zijn pensionering verricht. Sinds hij in 1986 na veertig jaar het leraarschap neerlegde, kon de historisch geograaf zich volledig wijden aan het schrijven van Duizend jaar weer, een reeks dikke boeken over „de belangrijkste bijzaak in de geschiedenis”, zoals hij stelt in zijn beschrijving van de weersgesteldheid in de Lage Landen.

Het eerste deel, met beschrijvingen van 764 tot 1300, kwam bijna dertig jaar geleden uit. Vorige week verscheen deel zes. Hierin wordt de periode 1751-1800 beschreven, goed voor negen ernstige watersnoden in tijden van oorlog, Franse overheersing en revolutie. Buisman: „Ik beschrijf het weer, en vlecht daar de geschiedenis doorheen. Dat is de truc. De reacties zijn doorgaans heel positief. Als er kritiek is, dan is het dat er te veel politiek in zit. Maar ja, ik wil de tijd typeren.” Jan Buisman wordt morgen negentig. De chroniqueur van het weer, woonachtig in een flat in de Haagse wijk Mariahoeve, heeft nog vier dikke delen te gaan. „Bij deel tien ben ik waarschijnlijk honderdtien, maar dat merken we dan wel. Ik voel wel dat ik geen tachtig meer ben. Ik ben iets minder vitaal. Maar mijn geheugen is goed. Ik heb alleen wat last van kriebelhoest.”

Hoe reageert de mens op somber weer?

Buisman beschrijft het weer van de afgelopen ruim duizend jaar in hoofdstukken met titels als ‘Franse aanval in het westen begunstigd door droge wegen’ of ‘Mijn man drinkt des morgens een glaasje reegenwater’. Als het in mei 1757 bijna een maand niet heeft geregend en het land kurkdroog is, volgen maatregelen tegen brieven waarin brandstichting wordt aangekondigd. „De straffen zijn niet mals. De schrijver van de brieven, de brandstichter en hun helpers kunnen erop rekenen ‘aen een Pael levendig te worden verbrand’.”

In de afgelopen duizend jaar onderscheidt Buisman drie perioden. Eerst warm weer. Daarna koud weer tijdens de zogenoemde ‘Kleine IJstijd’ tussen grofweg 1430 en 1840. Daarna weer warm weer. Binnen die perioden valt vooral de „grilligheid” op. Dat geldt ook voor de tweede helft van de achttiende eeuw. „Er zit een rijtje bloedhete zomers in. Dan denk je: waar komen die ineens vandaan, we zitten toch in de Kleine IJstijd?”

De kunst is, vertelt Buisman bij een kop koffie, om niet te bezwijken voor de verleiding regelmaat te willen zien. „In mijn boek staan reeksen getallen over 870 winters en 870 zomers, zeg maar rapportcijfers over het weer, die statisticus Folkert IJnsen op basis van mijn gegevens heeft gemaakt. Die reeksen maken een tamelijk chaotische indruk. Je moet daar als onderzoeker onbevooroordeeld tegenoverstaan. Als begin 1300 drie strenge winters achter elkaar worden beschreven, dan mag je niet denken: hé dat kan eigenlijk niet, want dat komt nooit voor. Daar is de meteoroloog van Hitler, Franz Baur, mooi de mist mee ingegaan. In 1940 was er een pittige winter en ook die van 1941 was streng en hij zei dat in 1942 de winter aan het oostfront wel niet zo streng zou worden.”

De mythe van de hongerwinter

Buisman heeft de afgelopen decennia de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag „platgelopen” op zoek naar historische bronnen. Brieven. Kronieken. Jaarboeken. Reisverhalen. Je hoeft, zegt Buisman, niet alle bronnen te gebruiken om te weten wat voor weer het is geweest. Maar het is wel zaak het kaf van het koren te scheiden, vooral in de jaren vóórdat er instrumenten werden gebruikt om metingen te doen. „Uitzoeken. Puzzelen. daar hou ik wel van.” Met beschrijvingen van het weer moet je in het algemeen „geweldig oppassen”, vertelt Buisman. „Soms zegt iemand half december dat het zo’n strenge winter is! Die bedoelt gewoon dat het erg koud is. Ik heb een huishoudelijke hulp, een Surinaamse, die zegt dat het zo hard vriest. Terwijl het vijf graden boven nul is! Ze bedoelt dat het erg koud is. Zo is er ook de mythe van de Hongerwinter. Iedereen zegt dat dat zo’n strenge winter was. Men spreekt over hongertochten door de sneeuw, dat het verschrikkelijk was om verkleumd met een karretje door de sneeuw te gaan. Tja, het heeft tot eind januari flink gevroren en gesneeuwd. Ook ik had het koud. Ik had geen sokken meer en knoopte een zakdoek om mijn voeten. Maar een strenge winter was het niet.”

Literatuur is geen goede weerbron

Literatuur kun je lang niet altijd serieus nemen. „Heel link! Men fantaseert erop los.” Bruikbaar zijn vooral beschrijvingen van ooggetuigen. „De mooiste bronnen vind ik reisbeschrijvingen. Van de vader van Mozart bijvoorbeeld, toen de familie hier was. Als reiziger heb je altijd met weer te maken. Je reist in een trekschuit of in een postkoets. Je komt bij een rivier en er vaart niks, want de boel is overstroomd. Of je komt in een sneeuwstorm terecht en je moet drie dagen overnachten omdat je de deur niet uit kunt.” Dagboeken en brieven? „Ook prachtig.” Vaak passen de beschrijvingen bij andere bronnen. Rekeningen na schade door storm. De tolrekeningen van de grote rivieren. „Prachtig!” In de Middeleeuwen had je tollen in Zaltbommel, Tiel, Nijmegen. „Daar lees je dat er op die dag geen schip is gepasseerd, propter glaciem, vanwege ijs.” Of rekeningen van trekschuiten in de trekvaart tussen Haarlem en Leiden, vanaf 1654. „Ik heb al die rekeningen doorzocht. In sommige winters kon ongestoord worden gevaren. In andere winters waren er vijftig, achtendertig of zeventig dagen met bevroren water. Het komt in zulke bronnen maar zelden voor dat je iets vindt wat niet klopt.”

De rol van het weer in de geschiedenis is „onderbelicht”, zegt Buisman. Zijn boeken maken daar een einde aan. „In de geschiedenis van oorlogen lees je zelden wat over het weer. Terwijl dat toch heel belangrijk is. Je maakt een plan, je kient het uit, generaals staan gebogen over kaarten, en door het weer komt er niks van terecht, het plan mislukt.” Van belang zijn droge wegen. „Daar kun je met kanonnetjes langs.” Ook van belang: geen regen die kruit nat maakt. „Als het regende, zei men: vandaag maar niet vechten, laten we een potje bier drinken.” En verder: gras voor de paarden. „Waarom viel Napoleon in 1812 pas eind juni Rusland binnen? Vanwege het koude voorjaar! Er was te weinig gras voor de paarden. Dat lees je niet in de geschiedenisboeken.” Ook Hitler viel in 1941 door verwikkelingen elders in Europa een maand te laat Rusland binnen. „Ook eind juni. Op een zondagmorgen. In oktober zag hij de torens van Moskou. Daarna kwam hij in de Russische winter terecht.”

En de Franse revolutie, hoe ging die?

Het is niet overdreven te stellen dat ook bij het ontstaan van de Franse Revolutie in 1789 het weer een „factor van betekenis” is geweest. Buisman: „Er was hongersnood door misoogsten. En op zondagochtend 13 juli 1788 was er ook nog eens een geweldige hagelbui die over een paar honderd kilometer van zuid naar noord trok, de oogst vernielde en gigantische schade veroorzaakte, zoals aan duizenden ramen van kastelen langs de Loire. Vervolgens kwam de topwinter van de achttiende eeuw, de gigantische winter van 1788-1789. In maart is het geweldig koud geweest. De boeren hebben gevraagd om verlaging van pacht en belastingen en hebben zich zorgen gemaakt dat het graan in de grond bevroor. Want dan kreeg je weer hongersnood. En in mei brak de revolutie uit. Kijk, je mag natuurlijk niet zeggen dat de revolutie het gevolg was van het weer. Maar het weer moet zeker invloed hebben gehad.”