Arbiter beslecht ertsruzie

Het is voor een advocaat nooit leuk om zijn cliënt te melden dat hij de zaak verloor en moet betalen. Zeker niet als het verschuldigde bedrag 45 miljoen dollar is en hoger beroep niet mogelijk is. Dat overkwam een Rotterdamse advocaat die in een arbitrageprocedure in Den Haag namens het Chileense ertsbedrijf Minera Santa Fe een claim betwistte van handelsonderneming Qisheng Resources uit Hongkong.

Inzet was de levering van een grote partij ijzererts met een nogal hoog fosforgehalte. Partijen twistten over de vraag of de partij erts nu wel of niet verhandelbaar was, gezien het fosforgehalte. En of een prijscorrectie nodig was. Arbitrage is particuliere (vrijwillige) rechtspraak, waarin een bindende uitspraak wordt gedaan, in de vorm van een vaststellingsovereenkomst. De Chileense exporteur vond dat hij te weinig kans had gehad om tegenbewijs te leveren en vroeg de rechter het arbitrale vonnis te vernietigen.

De rechter laat het bij een marginale toetsing: kon de arbiter in redelijkheid tot deze uitspraak komen. De rechter constateert dat de arbiter geen fundamentele beginselen van het procesrecht noch de ‘goede procesorde’ schond. De arbiter is ook niet gebonden aan het Nederlandse bewijsprocesrecht. Wie die regels wil, moet geen arbitrage afspreken. 45 miljoen dollar aan Hongkong betalen dus, aub.