Als baby al naar koorrepetities

Foto Rien Zilvold

Waarom ben je gaan componeren?

„Min of meer per toeval: eigenlijk wilde ik zanger worden. Dat kwam door mijn moeder, denk ik. Zij zong vanaf de allereerste repetitie, zo’n dertig jaar geleden, in het Centraal Kamerkoor, een amateurkoor dat zich toelegt op nieuwe muziek. Als baby bracht ze me al mee naar de repetities. Zelf ben ik als jongenssopraan gaan zingen, later zou ik bariton worden. Maar bij het breken van mijn stem heb ik iets geforceerd, waardoor een zangcarrière er niet meer inzat. Mijn eerste compositie schreef ik voor een schoolproject en met mijn tweede stuk werd ik prijswinnaar in het Prinses Christina Compositieconcours. Martijn Padding zat in de jury en nodigde mij uit om auditie te doen voor het conservatorium in Den Haag.”

Had je toen al een beeld van het soort muziek dat je wilde maken?

„Helemaal niet. Dat is het fijne wanneer je net begint, daar denk je niet over na, alles ligt nog open. Ik vind mijn beginstukken ook nog steeds interessant, hoewel ze technisch verre van volmaakt zijn. De onbevangenheid erin vind ik mooi, en ik zie allerlei ideeën waarnaar ik later ben teruggekeerd. Maar componeren is het leukst wanneer er nog niets op papier staat. Met het opschrijven van de eerste noot begin je de mogelijkheden te beperken; dat is een lastig moment.”

Hoe zou je jezelf als componist omschrijven?

„Daar heb ik vaak over nagedacht, maar ik heb geen eenduidig antwoord. Ik merk dat ik in mijn stukken steeds meer op zoek ga naar grote contrasten in ritmiek, dynamiek en bereik. De laatste jaren is mijn muziek theatraler geworden, vooral door mijn ervaring in het muziektheater.

„Voor het Kameroperahuis, een jong muziektheatercollectief in Zwolle waarvan ik deel uitmaak, heb ik vorig jaar Being Arthur gemaakt. Die samenwerking met schrijvers, regisseurs en acteurs vind ik inspirerend. Het heeft mijn aandacht voor de buitenmuzikale betekenis van een compositie gescherpt. Voor het Stadsfestival Zwolle in september werken we bij het Kameroperahuis aan een nieuwe voorstelling.”

Wie zijn je muzikale helden?

„Louis Andriessen vind ik de beste Nederlandse componist. Hij heeft een heel eigen klank en toch probeert hij in ieder nieuw stuk iets anders te doen. Stravinsky is een andere held, die heeft zichzelf drie keer compleet opnieuw uitgevonden en toch herken je hem meteen. Het muziektheater van Johan Simons en Paul Koek bewonder ik zeer – evenals de Da Ponte-opera’s van Mozart.”

Wat is The occult beauty of the finite voor stuk?

„Vijf maanden geleden is mijn moeder overleden, na een ziekbed van twee jaar. In dit stuk heb ik die periode, de verschillende fases waar je in wordt gedwongen, als inspiratie genomen. Het was fijn om eraan te werken en het op die manier te kunnen verwerken, maar het stuk is meer dan mijn dagboek. De muziek is mijn verklanking van de schoonheid van het vergankelijke.”