Voor ontheemd Sjachtar is wel sympathie

Wegens oorlogsgeweld in eigen streek wijkt Sjachtar Donetsk voor het duel met Bayern München wederom uit naar Lviv.

Een van de grootste winnaars van het soevereine land Oekraïne is de voetbalclub Sjachtar Donetsk geweest. Nu is de vereniging uit de oostelijke mijnstreek Donbas een voetbalvluchteling die vanavond de achtste finale van de Champions League thuis tegen Bayern München speelt – nota bene in Lviv.

Sinds Oekraïne zich in 1991 los maakte van Rusland, is Sjachtar in 22 seizoenen negen keer landskampioen geworden – de laatste vijf jaar op rij. Ook internationaal is Sjachtar relevanter dan alle Russische clubs. Op de Europese ranglijst staat Sjachtar drie plaatsen hoger dan Zenit uit Sint Petersburg en tien boven Ajax.

Dat is opmerkelijk. In de laatste decennia van de sovjetcompetitie voor 1992 stelde Sjachtjor, zoals de club in het Russisch heet, namelijk niet veel voor. Hoewel het voetbal in de Sovjet-Unie door Oekraïense clubs en de Oekraïense coach Valeri Lobanovski werd gedomineerd. Het elftal dat in 1988 de EK-finale van Nederland verloor, kwam voor circa de helft uit Kiev.

De reden voor de opmars van Sjachtar sindsdien is simpel: geld. De club heeft het afgelopen decennium kunnen gloriëren dankzij kolen- en staalmagnaat Rinat Achmetov, voor de oorlog in de Donbas de machtigste oligarch van Oekraïne. Achmetov werd in 1996 voorzitter van Sjachtar. Hij had toen net de bendeoorlog in Donetsk naar zijn hand gezet, samen met toenmalig districtsgouverneur Viktor Janoekovitsj die later premier en president van Oekraïne zou worden. Dankzij van Achmetov kon Sjachtar buitenlandse trainers en spelers aantrekken. In de huidige ploeg spelen meer Brazilianen dan Oekraïners. De meeste Oekraïense voetballers in het team komen bovendien niet uit de kolenmijnen van de Donbas maar van elders in Oekraïne.

Zoals alle postsovjet-oligarchen heeft Achmetov zo zijn onderdanen een beetje willen laten meedelen in zijn puissante rijkdom. In Donetsk bouwde hij ter gelegenheid van het EK voetbal in 2012 een vliegveld en een stadion. Deze Donbas Arena – kosten: 350 miljoen euro – was een parel voor de oude industriestad die haar trots ontleent aan de tijd dat de mensen van heinde en verre met de bus daarheen kwamen om tomaten en worst in te slaan. Elke avond lag het stadion erbij, uitgelicht in lila gloed op enkele honderden meter van het grijze sovjetoorlogsmonument, alsof de arena een openluchtopera was.

Lag. Want het stadion is door de oorlog zwaar gehavend. Dit seizoen speelt Sjachtar zijn thuiswedstrijden niet meer in Donetsk maar in Lviv. Politiek/historisch is Lviv de antipode van Donetsk. In het Habsburgse Lviv adoreren veel nationalisten de anticommunist Stepan Bandera die in het Sovjetoord Donetsk juist als de personificatie van het fascistische kwaad wordt gezien. Toch is Lviv een betere nieuwe thuisbasis dan Kiev, Charkov of Dnepropetrovsk. In die laatste drie grote steden spelen de concurrenten en vechten de hooligans. In Lviv is het voetbal provinciaals. De fans van Donetsk die niet naar Rusland zijn uitgeweken, komen nu graag die kant op.

Als voetbalvluchteling heeft Sjachtar Donetsk buiten de Donbas meer sympathie onder de Oekraïners opgewekt dan afgelopen tien jaar als gekochte en arrogante oligarchenclub. En als de harde kern van supporters op de tribune zingt ‘Poetin is een lul’ – de standaardleuze in veel stadions – dan is verbroedering hun deel.