Column

Toch nog Rothko

‘De laatste weken van Mark Rothko”, maande het Gemeentemuseum Den Haag in een aantal peperdure advertenties. Het schuldgevoel sloeg meteen weer onverbiddelijk toe. Hoeveel bekenden hadden me de afgelopen maanden niet met klem geadviseerd: „Ga erheen, voor het te laat is.” Hoe kon ik ze nog ooit Rothkoloos onder ogen komen?

Sommigen hadden zelfs, langdurig kijkend naar een van die schilderijen, een mystieke ervaring gehad. Ik durfde niet goed te vragen wat dat precies had ingehouden, ook al waren ze er zelf over begonnen. Je vraagt ook niet naar iemands seksuele ervaringen.

„Op naar Rothko”, zei ik dus tegen mijn vrouw, die mij op het gebied van de beeldende kunst – verder uiteraard niet – altijd het voordeel van de twijfel geeft.

Aangekomen in het Gemeentemuseum maakten we meteen de fout die ons noodlottig zou worden. We besloten eerst een ‘hapje’ te eten in de tuinzaal van het museum. Daar zag ik, kijkend over de schouder van mijn vrouw, in een aanpalende zaal een schilderij hangen dat duidelijk niet van Rothko afkomstig was. „Kijk, Joseph Roth”, zei ik. Zelfs vanuit de verte was te zien dat het een goed portret van deze joodse schrijver was. Ik vroeg me af wie de schilder was.

Toen we uitgegeten waren, liepen we eerst naar dat zaaltje. Er bleken nog tien zaaltjes bij te horen, allemaal gewijd aan een overzichtstentoonstelling van de Nederlandse schilder en beeldhouwer Emo Verkerk. Die tentoonstelling is inmiddels afgelopen. Het spijt me dat te moeten berichten, want het bleek een mooie tentoonstelling van een hoogst originele kunstenaar. Zijn werk is monter en lichtvoetig, maar toch indringend door de zweem van melancholie die er vaak overheen ligt. Hij is de Remco Campert van onze beeldende kunst.

Verkerk heeft onder meer prachtige portretten gemaakt van de schrijvers die hij bewondert: Roth, Elsschot, Nescio, Slauerhoff, Reve, Jerofejev. Hoogtepunt was voor mij het metersbrede portret van de aan opium verslaafde Engelse schrijver Thomas de Quincey, in een hoekje van het schilderij met gesloten ogen staande voor een zee waarachter strand en duinen oprijzen. Een schrijver die in zijn roes de eeuwigheid droomt? Verkerk streeft in zijn portretten niet naar getrouwe gelijkenis, maar naar een typering waarin zijn visie op iemand ligt besloten.

„Ik houd van dun, transparant, helder – zonder ruis”, zei hij in een radio-interview. Het werk van zijn generatiegenoot Marlene Dumas was hem „te dik, te vet.”

We dwaalden minstens een uur langs het zeer gevarieerde werk van Verkerk. Arme Rothko. Hoe konden wij hem na deze verrassende kijkervaring nog recht doen? Het wilde maar niet lukken. We werden allerminst overweldigd door de ‘spirituele ervaring’, die zovelen hier gedeeld hadden. Dat moet niet makkelijk zijn geweest in die overvolle zalen waar de bezoekers elkaar in de weg lopen en verwoed fotograferen, terwijl allerlei gidsen uitleg geven. Wij hoefden niet te huilen, kregen geen visioenen, dachten niet aan Onze Lieve Heer of Zen.

Ik wil niet koketteren; dat was niet onze verdienste, misschien was het wel onze tekortkoming. Hoe dan ook, vergeleken met Verkerk vonden we Rothko nogal monotoon, om niet te zeggen: saai.

Na afloop wilden we in de museumshop de catalogus van Verkerk kopen. Die was daar niet meer verkrijgbaar, terwijl Rothko nog over de toonbank vloog. Succes baart succes.