Paalgans

Terwijl de meeste vogelsoorten in het Rotterdamse Museumpark nog zwijgend berusten in het kwakkelende winterweer, zijn het de exoten die mij duidelijk maken dat het voorjaar nadert. Nijlganzen begroeten me met hun niet aflatende nasale hur-hur-hur-hur-hur-hur-hur.

De torenhoge lichtmasten zijn favoriete roepplekken. ’s Middags grazen ze vaak samen op de modderige gazons, maar in de ochtend en avond nemen ze strategische posities in, op de lichtmasten en hoog in de bomen. Op een wiebelig, oud kraaiennest zit er vermoedelijk al een op de eieren.

Het blijft een vreemd gezicht: ganzen die het hogerop zoeken. Toch is het geen nieuw gedrag, want ook in hun oorspronkelijke verspreidingsgebied – de Nijlvallei en Afrika bezuiden de Sahara – broeden nijlganzen in nesten van andere vogels en op gebouwen tot een hoogte van zestig meter, veilig buiten bereik van grondroofdieren.

In het Museumpark neemt het aantal nijlganzen toe. Nu zitten er veertien. Dat het niet allemaal lokale aanwas is, leert ons de paalgans met twee joekels van kleurringen om de poten: ‘Blauw 2 – Wit N’ werd eind augustus 2013 als jonkie geringd in Den Haag.