Ook in de muziek kun je niet alle Russen over één kam scheren

Redacteur Merlijn Kerkhof (28) laat iedere dinsdag zien wat de schoonheid van klassieke muziek is. Vandaag: leuke en lieve Russen, en hun muziek.

Illustratie Anna Klevan

De Russen hebben nogal een imagoprobleem. Ze worden uitgekotst sinds ze vorig jaar de Krim bezetten, en nu zorgen ze er ook nog eens voor dat het een zooitje is in Oekraïne (al hebben ze er volgens president Poetin écht niks mee te maken). De inval in Zuid-Ossetië in 2008 zijn we daardoor al bijna vergeten.

Je zou bijna een hekel krijgen aan de Russen, door al die ellende.

Maar zo zitten we niet in elkaar, hè. Er zijn heel veel leuke, lieve Russen op de wereld. En er komt prachtige muziek vandaan. Laten we die oorlog heel even vergeten en het hebben over die geweldige Russische componisten. Over Tsjaikovski (1840-1893) bijvoorbeeld.

Eerst even wat muziekgeschiedenis. De meeste boeken zullen de Russische klassieke muziek laten beginnen bij Michail Glinka (1804-1857). Hij streefde een nieuwe Russische stijl na, wat eerder te merken is aan de onderwerpen die hij koos voor zijn opera’s, die bovendien in het Russisch werden gezongen, dan aan de muziek zelf. Zijn Een leven voor de tsaar groeide uit tot nationale opera. Het gaat over een boer die zijn leven opoffert voor de leider van de natie – lekker patriottistisch.

Vaak wordt Een leven voor de tsaar de eerste Russische opera genoemd. Ten onrechte. In de achttiende eeuw haalden de Russische tsarina’s al goede Europese componisten naar Sint-Petersburg. De invloed uit Europa zou altijd blijven. Veel componisten vonden dat niks. Zij zetten zich juist af tegen de Duits-Oostenrijkse muziektraditie, met zijn dwingende vormen en intellectualisme.

Na Glinka kwam er een groep die fanatieker anti-Europees werd: de kring die ‘De Vijf’ of ‘Het Machtige Hoopje’ werd genoemd. Omdat het zo’n dominante beweging was, lees je in iedere muziekgeschiedenis hun namen. Maar in de concertzalen hoor je nog maar weinig Balakirev (de leider) en al helemaal nooit César Cui. Rimski-Korsakov, het grootste talent en geroemd om zijn orkestraties, die dan weer wel. Net als Borodin en Modest Moessorgski, het two hit wonder, bekend van zijn opera Boris Godoenov en zijn Schilderijen van een tentoonstelling.

Een van de kenmerken van De Vijf is dat de componisten liederen van het platteland, dansen en kerkgezangen in hun muziek verwerkten. Er werd geëxperimenteerd met ongebruikelijke toonladders, vaak om een exotisch sfeertje te creëren. Ook opvallend is dat de meesten autodidact waren, anders dan de in hun ogen elitaire, aan het conservatorium opgeleide types als Anton Rubinstein en Tsjaikovski.

De muziek van Rimski-Korsakov is echt bijzonder (luister naar zijn Sheherazade), en Moessorgski’s pakkende Schilderijen van een tentoonstelling is zo’n stuk dat je ooit gehoord moet hebben. Maar als ik heel eerlijk ben: geef mij die elitaire, Europees-georiënteerde lui maar – de componisten die westerse spanningsopbouw koppelden aan Russische zangerigheid, diepte en zeggingskracht. Luister naar de cantate Ioann Damaskin van Sergej Tanejev – die zich anders dan de meeste Russen veel met meerstemmigheid bezighield – en je begrijpt wat ik bedoel. Speel zes noten van Tsjaikovski en ik smelt.

En dan heb je ook nog Rachmaninov met zijn fenomenale pianoconcerten. En Glazoenov, een totaal onderschatte componist. Je zou de Russen die oorlog bijna vergeven.