Joe Bowie predikt de funk in Gorkum

De voorman van de legendarisch funkband Defunkt, Joe Bowie, geeft tegenwoordig workshops in zijn woonplaats Gorkum.

‘Dit is de funk, man”, zegt de Amerikaanse trombonist en bandleider Joe Bowie. Hij strompelt met twee bongo’s over het terrein van de Luisterpost, een voormalig militair instructiegebouw aan de rand van Gorkum. „Let maar niet op mijn loopje,” zegt de man die in de jaren zeventig een van de grondleggers was van de Punkfunk, een anarchistische muziekstijl tussen jazz en funk in. „Dat is mijn nieuwe knie.”

Woensdag doet Joe Bowie de Melkweg aan, in Amsterdam. Hij speelt er met zijn band Defunkt, met wie hij al bijna veertig jaar over de hele wereld toert. Voorafgaand aan zijn optreden is hij eregast bij de vertoning van de documentaire In Groove We Trust, die de Boedhistische Omroep over zijn leven maakte.

Maar deze woensdagmiddag begin februari gaat het hem niet om geld of applaus. Vandaag doet hij community work, in een zaaltje waar normaliter de Gronichemse Fanfare Volharding en het Gorcums Opera- en Operettekoor repeteren. Hij is vanaf zijn rijtjeshuis komen fietsen, over het fietspad, met in zijn fietstassen cake, „voor de dames in de pauze”.

Voordat het zover is, zeult de funklegende zijn trommels naar het booggewelf waar de maandelijkse RSME-ritmeworkshop plaatsvindt. Dat is zijn cadeau aan het Zuid-Hollandse dorp dat het middelpunt is van zijn muziekimperium.

Joe Bowie kwam naar Nederland omdat daar de „beste drugs van de wereld werden verkocht”. „We waren tussen 1975 en 1985 een zeer populaire band. We toerden maandenlang, speelden overal ter wereld en verdienden bakken met geld. Het is allemaal opgegaan aan het muzikantenleven. En vooral aan de drugs”, zegt hij.

Joe Bowie was 15 jaar lang zwaar verslaafd, vooral aan heroïne. In de documentaire zegt een bandlid dat het uitbundige drugsgebruik de echte doorbraak van Defunkt in de weg heeft gestaan. Anderen wijten dat aan Bowies onwil om commercieel te gaan, en zijn voorliefde voor intellectuele teksten.

Hij is de broer van trompettist en componist Lester Bowie, die zijn leven redde door hem – begin jaren tachtig, op het dieptepunt van zijn verslaving – naar het eiland Saint Croix te sturen. Daar kikte Bowie af, en werd hij boeddhist.

Halverwege de jaren negentig verbleef Bowie met zijn band een aantal weken in Gorkum, de woonplaats van zijn tourmanager. Tijdens deze tussenstop liep hij zijn toekomstige vrouw Hennie tegen het lijf, met wie hij tien jaar later zou trouwen.

„Ik houd van Nederlandse vrouwen, omdat ze onafhankelijk en sterk zijn,” zegt hij bij een kop filterkoffie. „Ik weet niet of het verstandig is om dit te vertellen, maar ik had overal vriendinnen. Toen de vijftig in zicht kwam, vond ik het tijd om het over een andere boeg te gooien. Ik wilde in Nederland blijven. Ik had nog genoeg kracht om mijn leven te verplaatsen en wilde weg van de politiek van president George Bush senior.”

Zijn immigratie redde zijn leven, bleek achteraf. „Ongeveer het eerste dat Nederland mij bracht, was een ziektekostenverzekering. Die kon ik als rondreizend muzikant in de Verenigde Staten niet betalen, maar in Gorkum was dat goedkoop en vanzelfsprekend. Na een paar weken ging ik voor het eerst naar de huisarts. Ik bleek vergevorderde prostaatkanker te hebben. Man, in de VS was ik hartstikke dood geweest, en hier werd ik geholpen en gered. Ik ben Nederland eeuwig dankbaar en zal blijven spelen tot ik omval. Muzikanten zoals ik kunnen niet met pensioen. They just die.”

Sylvain van Duffelen, net binnen in de workshopruimte, heeft het Bowie honderden keren horen zeggen. De 38-jarige Gorkumse bassist zal nooit het moment vergeten dat hij hoorde dat Bowie naar zijn woonplaats was verhuisd. „Defunkt heb ik altijd een band van wereldklasse gevonden. Hun muziek heeft me door mijn militaire diensttijd gesleept.”

„Een vriend vertelde me dat Joe Bowie in het buurthuis van Gorkum kwam spelen,” zegt Van Duffelen. „Ik lachte hem vierkant uit. Ja, en Mick Jagger komt zeker zingen, zei ik. Maar het klopte. Bowie was er, dringend op zoek naar muzikanten, naar een band. Hij kende niemand hier, was ziek en wilde spelen. De funk stopt nooit, zei hij. En we werden een band. Een goeie ook.”

Dat is het moment dat de vriendinnen Corrie de Heus (70) en Baukje Schuil (63) binnenkomen, voor de ritmeworkshop. Joseph Bowie vinden ze een schat, maar met zijn muziek hebben ze weinig op. „Wat is dat, funk?”, vraagt Schuil, die vooral graag trommelt. Corrie de Heus zegt dat de muziek van Defunkt niets voor haar is. „Ik kom uit de tijd van Charles Aznavour. Maar met het ritme van Joseph is niets mis. Hij doet dit fantastisch.”

Dan begint de RSME-workshop, een combinatie van tai-chi, bongospel en improvisatie. Bowie zingt, klapt, schreeuwt en danst alsof hij op een groot concertpodium staat. Dat er maar een handvol mensen meedoet, deert hem niet.

„Je kunt het gek vinden dat ik dit doe, voor een handvol mensen in een dorp in Nederland, ” zegt hij in de pauze. „Ik zie het anders. Steengoede Amerikaanse muzikanten bellen me op, en klagen dat New York te chique is, en te duur. Come on, zeg ik. We zijn minstrelen, op zoek naar plaatsen waar we kunst kunnen maken. Waar het betaalbaar is, en goed toeven.”

„Ik wil veel meer doen met deze ritme-workshops, en moet nog achter subsidie aan. Zo werkt het in Nederland. Ik wil de funk overal brengen, ook waar je die niet verwacht,” besluit Bowie. „Ik ben een zwarte jongen uit Sint-Louis, maar iedereen kan de funk leren. Ook hier in Gorkum.”