Het woord carnaval is hier taboe

Uit het plaveisel van de Kaai, een gedempt deel van de oude haven van Bergen op Zoom, komt in het duister dreigend een uit zwart doek opgetrokken onderzeeboot naar boven. Gekletter van metaal, mannen met Russische mutsen op de brug, een felle schijnwerper. Een bordje met de tekst: „Oezo, de Kaai kennie ope?” De installatie is typisch voor het soort practical jokes dat Bergenaren bedenken op Dweilavond, de maandagavond van Vastenavond – het woord ‘carnaval’ is hier taboe. Het weer openen van de tot parkeerplaats verworden Kaai is een heet hangijzer in de lokale politiek.

Ongeveer 53.000 inwoners telt Bergen – alias ‘Krabbegat’. Een stichting coördineert de intocht en de optocht en de Kindervastenavond, bedenkt het jaarlijkse motto en het jaarlijkse lied, verkiest de Prins – thans Nilles III – de Nar, de Grootste Boer en de ‘vastenavond-pliesie’ Steketee. Wat ooit een informeel volksfeest was in deze, ondanks haar roemrijke geschiedenis, altijd wat marginale stad, is sinds 1946 uitgegroeid tot een feest met vaste elementen en gebruiken, voor alle gezindten, leeftijden en klassen.

In veel andere Zuid-Nederlandse steden is dat niet anders. Toch zegt iedere Bergenaar dat zíjn Vastenavond uniek is. Dat komt vooral door het ongeorganiseerde gedeelte: een straatfeest, in vierkwartsmaat. Verkleed en dansend begeeft men zich – liefst achter een geïmproviseerde blaaskapel waarvan de stad er tientallen heeft – van café naar feestzaal naar café. Dat noem je ‘dweilen’ en de feestganger is een ‘dweil’. De carnavalshits van de landelijke muziekindustrie hoor je hier nauwelijks – er is ruim Bergs repertoire.

Op deze Dweilavond lijkt de ganse stad uitgelopen. De duikboot is maar een van vele practical jokes op straat. Omdat het thema dit jaar Dèèr emme vor deurgeleerd is, gaan de meeste grappen over onderwijs. Onder het spandoek „Ier kund’ oew bul ale” worden ceremonieel lapjes aan een touwtje om de hals van voorbijgangers gehangen. „Me zijn blijve zitte op de kresj” behelst figuren zittend op rokende sloopauto’s. Een man met twee papier-machévingers in zijn neus verbeeldt de peuterschool. Even verderop zijn hamers en oude encyclopedieën voorhanden om „bij te spijkeren”. Op straat liggen een man en vrouw in bed, naast de tekst „Zijn met m’n Exsamen bezig”. Achter het raam van een woonhuis wordt een leutige remake van Rembrandts „Anatomiese les” vertoond.

Dweilavond is veranderd sinds ik het hier als kind in de jaren zestig vierde. Destijds verborgen de meeste dweilen zich achter een gurdijn – een stuk vitrage – wat het feest in de destijds armer ogende stad een welhaast mystiek karakter gaf. De gurdijne zijn er nog, maar meestal om de schouders gedrapeerd, zodat je de gezichten kunt zien. Maar toegenomen welvaart en openheid hebben de intense vrolijkheid en de inventieve grappen niet weggenomen.

Vanavond valt om middernacht de kraai van de Heks van Reimerswaal, die op een praalwagen op de Grote Markt staat. Dan zwijgt de muziek. Een beetje dweil – zegt men – gaat daarna wenend naar huis – een heel jaar wachten!