Finance? Daar wist ik geen zak van

Journalist Joris Luyendijk leefde twee jaar in de City in Londen om de financiële wereld te begrijpen. Dit leerde hij over journalistiek.

Het is mei 2011, ik zit in het charmante chaotische corner office tegenover de hoofdredacteur van The Guardian in Londen, en in mijn hersens is het feest. Zojuist heeft Alan Rusbridger gevraagd of ik een ‘online leercurve’ wil doen over de City, het financiële centrum van Groot-Brittannië en Europa.

Vandaag, bijna vier jaar later, verschijnt mijn boek en kan ik moeilijk beslissen waarover ik meer heb opgestoken: journalistieke innovatie of toch de City.

Het begon op die dag in mei bij Rusbridger. We waren ooit op een conferentie in Amsterdam in gesprek geraakt over de kloof tussen belang en belangstelling. Vertel mensen dat hun spaargeld in gevaar is en je hebt hun aandacht. Zeg dan ‘financiële hervormingen’ en ze beginnen al te gapen. Hoe kan dat?

Ik had Rusbridger de hypothese voorgelegd dat veel onderwerpen zo complex zijn dat het nieuws erover alleen nog voor insiders te volgen is. Nieuws geeft de laatste ontwikkelingen bij een lopend proces. Maar wat als je basiskennis over dat proces mist? Dan is nieuws eerder een software-update voor een computer die je niet bezit. Wikipedia helpt evenmin, want daar Collateralized Debt Obligation opzoeken is als een Portugees woord naslaan in een Portugees woordenboek: wat je krijgt is nog meer Portugees.

Dus sla je als gewone lezer dat stuk over. Omdat iedereen dit doet, gaat de redacteur ‘financiële hervormingen’ zich vroeg of laat op iets anders richten. Omdat er toch niet over wordt bericht, concluderen politieke partijen dat financiële hervorming ‘niet leeft’. Zo heeft de bankenlobby nog meer vrij spel.

Suboptimaal!, zou men in de City zeggen. Zo noem je daar iets dat verkeerd loopt. Hoe kunnen journalisten complexe onderwerpen openbreken? Eerder had ik dat voor deze krant geprobeerd met duurzame mobiliteit, door op nul te beginnen en in een column iedere week een stap te zetten richting antwoord op de vraag: zijn elektrische auto’s een goed idee?

Deze online leercurve leverde van alles op, inclusief de oprichting van een prijs waarbij twaalf NRC-lezers samen 60.000 euro inlegden om drie jaar achtereen de student met de beste scriptie over elektrische auto’s te belonen.

Hierover had ik Rusbridger verteld op die conferentie en hij vond dat zo eigenwijs dat hij me naar Londen haalde.

Dat was les 1 bij innovatie: het werpt onverwachte vruchten af. Ik was nog niet verhuisd naar Londen of ik liep tegen mijn eerste obstakel op. The Guardian heeft honderden web developers en designers en ik had gehoopt dat zij mooie tools voor mijn online leercurve konden bouwen. Mooi niet, alle energie moest naar de voorbereidingen op de Olympische Spelen die eraan kwamen.

Obstakel 2 was dat mensen in de City alleen wilden praten als ik hen volledig anonimiseerde. Ik had gedacht dat ik na mijn NRC-correspondentschap in de Arabische wereld eindelijk op een plek was waar mensen democratische basisvrijheden genoten en niet bang waren zich te uiten; niet dus. Een bankier die wordt geciteerd is meteen een ex-bankier want ongeautoriseerde contacten met media zijn in de City een sackable offense.

Dan was er obstakel 3: mijn Gemeentelijk Gymnasium Engels is aardig, maar bij iedere zin die ik in die taal schrijf, kan zelfs ik zien dat hier iemand enorm zijn best aan het doen is native te klinken.

Naarmate deze obstakels zich scherper aftekenden leerde ik mijn tweede les: steek energie niet in het ontwijken van obstakels, maar klim er bovenop. Omarm ze.

Als ik gewone werknemers in de City nu eens in monologen aan het woord liet? Dat was low-tech en omdat ik hun woorden weergaf, viel mijn Borat-Engels minder op. Het vormde zelfs een extra beschermingslaag; ieder mens heeft een eigen manier van uitdrukken, en dat herkenbare detail verdween als mijn Engels eroverheen ging.

Vervolgens dacht ik: ik weet geen zak van finance, dus we beginnen bij het begin. Hoe ziet een doorsnee werkdag er uit in de City? Wat is het grootste taboe en wat het moeilijkste uit te leggen aan buitenstaanders? Samen met ‘hoe kunnen jullie met jezelf leven’ werd dat het vragenlijstje. Zo ontstonden 2.000 woorden lange monologen; met een bond pricer of een compliance officer. Zulke lappen kunnen nooit in de krant: wat is de kans dat abonnees en vaste lezers die dag dat allemaal willen lezen? Maar met een online Guardian blog bestaat je potentiële publiek uit anderhalf miljard Engelssprekenden met een smartphone. Ze hoeven het ook niet meteen te lezen, want die monologen kunnen geduldig op hun publiek wachten. De long tail heet dit laatste, en verdomd, het werkte: ik postte die monologen en door jaren heen bereikten ze hun publiek.

Ik leerde weer iets: de beste vernieuwingen zijn de simpelste. De reacties van gewone lezers waren vaak niet mals. Op een zeker moment kreeg een geïnterviewde er in de reageersectie zo van langs, dat deze met een schuilnaam een eigen log-on maakte en zich in de discussie mengde. Een fascinerende uitwisseling werd dat, en ik greep mezelf naar het hoofd: waarom had ik niet eerder bedacht dat je de geïnterviewde ook nog kunt laten interviewen door je lezers?

Dergelijke interactie hielp ook bij zeker stellen dat geïnterviewden waren voor wie ze zich uitgaven. Want ze werden in de reageersectie door insiders genadeloos aan inhoudelijke examens onderworpen. Bleef de vraag hoe representatief iemand was. Een IT’er zei dat hij printjes maakte van al zijn bankafschriften want ik wilde niet weten wat een puinhoop de IT is bij veel banken. Dan vroeg ik via Twitter, Facebook en een apart artikeltje op de site (ruimte genoeg): Doen meer IT’ers dit? „Oh yes we do”, was het antwoord. En als jij iedere dag zag wat wij zien zou je hetzelfde doen. Online leent zich beter dan papier voor zo’n onderzoekende toon, waarschijnlijk omdat je als lezer instinctief aanvoelt dat pixels minder definitief zijn dan inkt.

Aan het eind had ik een waaier aan inhoudelijke ontdekkingen over de City, de mondiale financiële wereld en bankiers: Het zijn geen monsters. Bijna niemand is miljonair. Zeer weinigen waren direct betrokken bij de crash. Veel betrokkenen bevinden zich buiten de banken; in de rest van de financiële wereld maar ook elders.

Allemaal geruststellend, maar helaas zijn de structuren binnen de sector juist wel monsterlijk: iedere insider weet dat met name de beursgenoteerde too big to fail banken van belangenverstrengelingen en belangenconflicten aan elkaar hangen. Deze scheppen allerlei perverse prikkels. Deze vormen de diepere oorzaken van de crash en de vele schandalen, en na 2008 zijn ze geen van allen aangepakt.

Als je onder ogen durft te zien dat dezelfde megabanken ons in 2008 op een haar na in een letterlijk onvoorstelbare ramp hebben gestort, dan ga je denken: hoe heeft de bankenlobby zulke maatregelen weten te saboteren? Hebben politici geen idee? Of is onze democratie net zo verzwakt als ons financieel stelsel, en willen politici het niet weten? Bijvoorbeeld omdat ze denken: misschien krijg ik in mijn ‘tweede carrière’ straks net zo’n mooie baan als oud-vice premier Zalm bij ABN Amro, of oud-premier Tony Blair bij JP Morgan?

Je zou bijna zeggen: hier zit een online leercurve in.