Dit kan niet waar zijn - Onder bankiers

Het financiële hart van Londen torent uit boven een woonwijk. Foto: Rick Nederstigt/ANP

Journalist Joris Luyendijk leefde twee jaar in de City in Londen om de financiële wereld te begrijpen. Het leidde tot een boek dat vandaag verschijnt. Lees hier de inleiding en het eerste hoofdstuk.

Door Joris Luyendijk

Inleiding

Joris Luyendijk

Foto: Merlin Daleman
Joris Luyendijk (1971) is journalist. Voor The Guardian hield hij tussen september 2011 en oktober 2013 het Joris Luyendijk banking blog bij: een antropologische studie naar het financiële centrum van Londen: de City. Het blog verscheen tevens als column in NRC Handelsblad en nrc.next en op nrc.nl.

Luyendijk sprak met zo’n tweehonderd betrokkenen, vaak anoniem. Zijn conclusie: ‘dit kan niet waar zijn’, tevens de titel van het boek dat naar aanleiding van het blog verschijnt.

Eerder werkte Luyendijk onder meer voor de Volkskrant en NRC Handelsblad als correspondent in het Midden-Oosten. Met zijn bestseller Het zijn net Mensen won Luyendijk de Dick Scherpenzeelprijs in 2006. Datzelfde jaar werd hij uitgeroepen tot journalist van het Jaar.

Je zit in een vliegtuig. Het bordje stoelriemen vast is uit, de stewardess heeft je net een drankje gebracht en nu twijfel je tussen het inflight entertainment of toch dat spannende boek. De man naast je nipt aan zijn whisky, je kijkt door het raampje naar de ondergaande zon, en dan zie je in een van de motoren plotseling een gigantische steekvlam.

Je stoot je buurman aan en roept de stewardess, die na enige tijd verschijnt en meldt dat er inderdaad wat technische problemen zijn geweest, maar dat alles weer in orde is. Ze oogt zo kalm en zelfverzekerd dat je het bijna gelooft, maar je wurmt je toch langs je medepassagiers naar het gangpad, waar eerst de stewardess en dan de purser je tegenhouden, allebei met de boodschap: Gaat u alstublieft terug naar uw plaats. Je duwt ze opzij en weet de deur van de cockpit te grijpen, je trekt hem open en daar zit niemand.

De afgelopen jaren sprak ik voor de Britse krant The Guardian met ruim tweehonderd mensen die werken of tot voor kort werkten in The City, het financiële centrum van Europa in Londen. Het zijn zeer uiteenlopende verhalen, maar als ik de strekking in één beeld moet samenvatten, dan is het dat van die lege cockpit.

Het begon op een mooie meidag in 2011, toen Guardian-hoofdredacteur Alan Rusbridger me uitnodigde in zijn charmant-chaotische kantoor tegenover het King’s Cross St. Pancras International Trainstation in Londen.

Ik woonde toen in Amsterdam, waar ik enige tijd terug op een conferentie over journalistieke innovatie met Rusbridger in gesprek was geraakt. Het ging over de vraag die iedere democraat moet bezighouden: waarom toont het grote publiek vaak zo weinig belangstelling voor onderwerpen die het eigen belang direct raken? In veel talen hangen die woorden samen, en het Engels heeft er zelfs één en hetzelfde woord voor: interest.

Mijn hypothese is dat veel onderwerpen zo ingewikkeld zijn geworden dat het nieuws erover alleen nog voor insiders te volgen is, en daarom was ik voor nrc Handelsblad net een experiment begonnen. Ik had een ingewikkeld onderwerp gepakt waar ik nog vrijwel niets van wist, en de beginnersvraag gesteld: ‘Zijn elektrische auto’s een goed idee?’ Dat was ik bij insiders gaan uitzoeken, elk interview leidde tot nieuwe vragen, en zo was door de maanden heen een ‘leercurve’ van artikelen aan het ontstaan. Insiders maakten graag tijd vrij, en een heleboel lezers leken het te waarderen wanneer je begon op het kennisniveau waarop zij zitten, namelijk op nul.

Miljarden moesten ernaartoe, maar er is niemand vervolgd en het lijkt bijna weer business as usual.

Rusbridger had me destijds met typisch Engelse beleefdheid aangehoord, maar toen haalde hij me op die mooie meidag naar Londen en vroeg of ik voor The Guardian ook zo’n experiment wilde doen. En dan niet over elektrische auto’s, grinnikte hij besmuikt. Hij wees in de richting van de City en zei dat we op letterlijk steenworp afstand zaten van de plek waar in 2008 de grootste paniek sinds de jaren dertig was uitgebroken. Miljarden moesten ernaartoe, maar er is niemand vervolgd en het lijkt bijna weer business as usual. Een leercurve over de financiële wereld, leek me dat wat?

Terwijl achter Rusbridger een Eurostartrein richting Brussel of Parijs het station uit gleed en dichterbij Regent’s Canal in de lentezon lag te schitteren, knikte ik zo hard ja als mijn nekspieren toelieten. The Guardian is met The New York Times de grootste kwaliteitskrant ter wereld, dus met zo’n prestigieuze partij zouden insiders vast willen meewerken. En ik begreep op dat moment net zo weinig van de financiële wereld als de gemiddelde lezer, terwijl het typisch zo’n onderwerp is met een diepe kloof tussen belang en belangstelling. Zeg tegen mensen dat hun geld niet veilig is, en ze spitsen de oren. Spreek de woorden ‘financiële hervormingen’ en je voelt hun interesse al verslappen.

Met typisch Nederlandse uitbundigheid begon ik Rusbridger te bedanken voor deze kans – wist ik veel dat je met die stiff upperlip in Engeland niet alleen negatieve emoties hoort te onderdrukken, maar ook enthousiasme?

Daar ging ik, een Nederlandse antropoloog van eind dertig met als voornaamste journalistieke ervaring een aantal jaren Midden-Oosten-correspondentschap: Kuifje bij de Bankiers.

1 De City als Dorp

Bij de elektrische auto had het goed gewerkt om me niet vooraf uitgebreid in te lezen, maar vast te houden aan beginnersvragen. Zo dwong je insiders de boel begrijpelijk uit te leggen. Dus ik dacht: dat doen we weer.

Nu nog een beginnersvraag. Ik vroeg iedereen in Amsterdam en daarna in Londen wat zij zouden willen weten over de financiële wereld. Veel mensen bleken kwaad, maar eigenlijk kon niemand goed uitleggen waarover, laat staan dat ze wisten wat er na het faillissement van de Amerikaanse bank Lehman Brothers in 2008 precies was gebeurd. Ze zeiden: ‘Als je mij straks uitlegt hoe die wereld werkt, ben ik je dankbaar. Al denk ik dat ik zo’n technisch verhaal twee dagen later alweer ben vergeten.’

‘Oké,’ zei ik dan, ‘welke vraag houdt je zo bezig dat je het antwoord wél zou onthouden?’ Dit waren moeizame gesprekken omdat velen eerst hun verontwaardiging kwijt moesten. Het is toch ongelofelijk dat wij die figuren moesten redden, zeiden ze, maar niemand de gevangenis in draait? Dat niemand zijn bonussen heeft hoeven terugbetalen? Kijk om je heen hoe bij de bezuinigingen de kwetsbaarste groepen in de samenleving worden gepakt. Intussen geven de bankiers zichzelf weer waanzinnige bonussen, zelfs bij banken die alleen nog bestaan dankzij onze staatssteun.

‘En dus vraag jij je boven alles af…’ probeerde ik het gesprek terug te leiden, waarop velen iets zeiden in de trant van: hoe kunnen die mensen met zichzelf leven?

Dat leek een mooie beginnersvraag aan insiders – iets subtieler geformuleerd misschien.

Zodra mijn verhuizing naar Londen was afgerond, pakte ik mijn adresboek en benaderde vol goede moed iedereen van wie ik wist dat ze iemand in de City kenden: ‘Wil jij jouw kennis, vriend, familielid of geliefde vragen of die een interview wil geven?’

Zoiets duurt natuurlijk even, en dus had ik tijd om mijn nieuwe stad te verkennen. Onbewust had ik Londen ingedeeld in de categorie Berlijn en Parijs: de hoofdstad van een groot Europees land. Maar Londen is groter dan Berlijn en Parijs samen en Londenaren vergelijken zichzelf duidelijk liever met New Yorkers. Er is zelfs één bijnaam voor beide steden: NyLon.

Ik ging wandelen en merkte direct dat ’The City’ geen goede term meer is. In de financiële sector in Londen werken tussen de 250 000 en 350 000 mensen. Dat zijn een heleboel banen, en die zijn op meer dan één plek gaan samenklonteren. Je hebt de chique en ingetogen buurt Mayfair in het westen van de stad bij Piccadilly Circus. Dan is er de ‘Square Mile’ ofwel de historische ‘City’ rondom metrostation Bank, met iconen als St. Paul’s Cathedral, de Engelse Centrale Bank en het schitterende voormalige beursgebouw. Meer de stad uit richting City Airport ligt Canary Wharf, een voormalige haven, waar steeds meer banken en financiële dienstverleners hun torenhoge hoofdkwartieren neerzetten. Het is privéterrein met glimmende nieuwbouw en aangeharkte plantsoenen, een gigantisch winkelcentrum en overal camera’s. De eigenaar bepaalt wie er mag filmen, of demonstreren.

‘Klanten zouden niet begrijpen dat wij met de pers praten.’

De antwoorden van financiële insiders die ik via via had benaderd lieten op zich wachten, en toen ik me al enigszins zorgen begon te maken, ontmoette ik op een borrel ‘Sid’. Hij was eind dertig, lang en breedgeschouderd, de zoon van immigranten. Hij had lang gewerkt als handelaar voor grote banken en was net met collega’s een eigen broker ofwel makelaardij begonnen: een bedrijf dat op commissiebasis voor klanten aan- of verkopen uitvoert op de beurs. De City voor buitenstaanders begrijpelijk maken vond hij ‘hard nodig’, zei hij hartelijk. Waarom kwam ik niet een dagje meelopen? Ik kon hem alleen niet herkenbaar opvoeren. ‘Klanten zouden niet begrijpen dat wij met de pers praten.’

Sid had al verteld dat er in de City een scherpe scheidslijn loopt tussen mensen wier werkritme wordt gedicteerd door de beurs ofwel ‘de markten’, en de rest. Wie ‘in de markten’ zit begint zeer vroeg, luncht aan het computerscherm en loopt in de late namiddag of vroege avond het gebouw weer uit. De rest begint minder vroeg, zit niet vast aan een scherm maar gaat tot laat door. Als je in de markten werkt, kan je de kinderen ’s avonds zien; de rest ziet ze ’s ochtends.

Daar stond ik in alle vroegte op Sids kantoor in het historische hart van de City. ‘Ga even iets voor jezelf doen,’ zei hij, ‘ik maak mijn note to investors af. Die moet voor halfacht de deur uit.’ Hij liep naar zijn bureau, een manshoge stellage van computerschermen vol nieuwsbalken, grafieken en marktdata. Overal telefoons en tv’s met financieel nieuws, en om hem heen collega’s die de hele dag door dingen zouden roepen als: ‘Heb je dat gezien? Goud op 1670!’

Sid rondde zijn note af en ik begon de adrenaline te voelen, als voor een cruciale voetbalwedstrijd van Oranje. Hij vertelde dat hij in zijn note analyses maakte en beleggingsadvies gaf aan pensioenfondsen, verzekeraars en professionele beleggers van andermans geld. Hij schatte dat klanten dagelijks ongeveer driehonderd van zulke e-mails krijgen. ‘In het gunstigste geval lezen ze een paar alinea’s van je.’ Hij gaf geen advies over specifieke aandelen, maar ging voor de helicopterview. De rest van de dag verzond hij commentaar en, bij nieuwe ontwikkelingen, updates van zijn note.

Als een sportcommentator met ‘de beurs’ als wedstrijd? Hij fronste. ‘Behalve dat ik voor de coaches en spelers in het veld schrijf, niet voor het publiek op de tribune.’

Hij had ook handelaren bij grote banken als klant. De meesten van ons hebben zelf bij zulke banken gewerkt, zei hij. ‘We weten hoe eenzaam het kan zijn. Je hebt je niche, zeg de auto-industrie. Misschien heb je één collega, plus een junior als hulpje. Dat is alles. Onze research is een klankbord voor zulke handelaren. We verspreiden brokjes inzicht waarmee ze indruk kunnen maken op hun baas.’

‘Wat is het verschil tussen een broker en zijn klant? De broker zegt pas fuck you nádat-ie de hoorn erop heeft gelegd.’

De beurzen gingen open en een halfuur lang was iedereen superdruk. Een vrouw die als broker op de beurs kopers zocht voor wat haar klanten wilden verkopen, en omgekeerd, hield haar ene oog op het scherm en het andere op The Sun, de tabloid sensatiekrant. ‘Wat is het verschil tussen een broker en zijn klant?’ vroeg ze toen ze me zag. ‘De broker zegt pas fuck you nádat-ie de hoorn erop heeft gelegd.’

Ik noteerde het keurig en belandde bij een man die met zijn vingertoppen tegen zijn slapen naar vier schermen vol grafieken zat te staren, soms zo ver naar voren leunend dat hij er met zijn neus tegenaan zat. Hij legde uit dat hij ‘technische analyse’ deed. Versimpeld: als de koers van een aandeel een hoogte- of laagterecord naderde, meldde hij dit zo snel mogelijk aan zijn klanten – grote beleggers –, inclusief voorspelling of de grens doorbroken zou worden.

Foto: Matt Dunham/AP

Bankmedewerkers in het zakencentrum van Londen genieten van de zon, die wordt versterkt door de spiegeling van de gebouwen. Foto: Matt Dunham/AP

Al als middelbare scholier was hij gefascineerd geweest door de beurs, maar had snel ontdekt dat hij als eenvoudige puber nooit toegang zou krijgen tot sophisticated beleggingsadvies van figuren als Sid. Evenmin begreep hij veel van economie. Toen had hij technische analyse ontdekt. Data over koersen zijn openbaar, net als boeken over financiële statistiekboeken. Hij deed het al flink wat jaren, en zei dat zijn vak verrassend vaak neerkwam op intuïtie: het onbewust herkennen van patronen.

‘Jij daar,’ riep Sid naar iemand op de toon van een man die iemand speels op diens ondergeschikte positie wijst: ‘Praat eens met onze Nederlandse gast.’

Hij was eind twintig en legde grijnzend uit dat sales guys zoals hij mazzelaars zijn. Zij hoeven pas om halfzes op, en mensen zoals Sid om vijf uur. De broker van zonet duwde me een papiertje in de hand: ‘Ernstig in de war, maar ongevaarlijk – meestal.’ Grinnikend maakte de sales guy er een prop van en gooide die naar haar hoofd. ‘Handelsvloerhumor.’

Hij speelde analyses van Sid, de technisch analist en andere collega’s door naar klanten. Hij was een soort filter, zei hij, omdat hij wist welke klant naar de psychologie van de beurzen keek en technische analyses wilde, en wie ‘fundamenteel’ dacht en juist alles wilde weten over de waarde van een bedrijf. ‘Mijn klantenlijst,’ wees hij naar zijn scherm. ‘De meesten volgden me toen ik voor deze firma ging werken. Ze doen zaken met een persoon, niet alleen met het bedrijf waar die persoon toevallig werkt.’

‘Voor deze baan moet je een dikke huid hebben of belachelijk optimistisch zijn. Anders stort je in of raak je aan de drank.’

Ik vroeg hoe de zaken gingen en schrok van zijn blik. ‘Soms vraag ik me echt af waarom ik dit doe. De werktijden zijn verschrikkelijk en de inkomsten niet best.’ Hij werkte op freelancebasis, en de vaste kosten waren krankzinnig hoog: abonnementen op financiële data, computers met drie, vier of vijf schermen, lunchen met klanten, ’s avonds klanten mee uit nemen, de lunch betalen voor het hele bedrijf omdat je weer te laat bent, ergonomische stoelen… ‘Voor deze baan moet je een dikke huid hebben of belachelijk optimistisch zijn. Anders stort je in of raak je aan de drank.’

De beurzen in Londen en de rest van Europa sloten, en ik kon even bijkomen. Dit was nu een – kleine – ‘handelsvloer’ en wat hier plaatsvond oogde exact en ondubbelzinnig – al die cijfers op schermen –, maar ook virtueel en onwerkelijk, als een computerspel zonder gevolgen.

Iedereen rondde het digitale papierwerk af en we togen naar de kroeg. Was dit een goede dag geweest? Voor de technisch analist niet: een aantal koersen had zich anders gedragen dan hij had voorspeld. ‘Morgen is er weer een dag.’ Ook Sid keek sip. Hij had die ochtend een ‘interventie’ voorspeld door de Zwitserse Centrale Bank. De Zwitsers hadden even later inderdaad ingegrepen, alleen was door een misverstand Sids note nooit verzonden. ‘Anders hadden klanten gezien dat mijn analyse klopte en had ik gescoord. Als ze mijn note hadden gelezen, tenminste.’

De dag met Sid was de beste introductie tot de City die ik me had kunnen wensen, maar het was ook een toevalstreffer. Op mijn andere via via verzoeken om een interview kwam helemaal geen antwoord, of een beleefd en gedecideerd: ‘Nee, liever niet.’ Keer op keer. Hoe ik ook aandrong, slijmde of smeekte.

Ik sprak nog eens af met Sid, en toen kwam de aap uit de mouw: in de financiële wereld heerst een zwijgplicht, of beter: een code of silence. Sid en zijn maten waren eigen baas, maar wie als medewerker bij een bank of financiële instelling praat met de pers riskeert zijn baan, een schadeclaim, en de reputatie van iemand die de code schendt. Kom dan nog maar eens aan de slag. In afvloeiingsregelingen is expliciet opgenomen dat je niets over je ervaringen in de City naar buiten mag brengen.

Even dacht ik: Daar gaat je ‘leercurve’ met financiële insiders, maar dat was te snel gedacht. Intimidatie werkt zelden voor honderd procent en zelfs in het Irak van Saddam Hussein kon je als correspondent mensen aan het praten krijgen – mits die zich veilig voelden.

Ik bleef verzoeken sturen, nu vergezeld van garanties en beloften: niemand zal weten dat wij met elkaar gesproken hebben. Ik ben de enige met toegang tot deze mailbox en je precieze functie, bank of instelling zal nooit naar buiten komen, net zomin als je nationaliteit of etnische achtergrond.

Een nieuwe reeks afwijzingen volgde, totdat een salesmanager bij een leverancier van datamanagementservices rond fusies & overnames opeens ‘ja’ zei. Daarna een financieel advocaat, de manager van een primary research-firma en twee bankiers.

Foto: Andy Rain/EPA

Uitzicht op Canary Wharf, een van de belangrijkste financiële centra in Londen. Foto: Andy Rain/EPA

We spraken incognito af, bij mensen thuis of op een plek waar we niet de kans liepen collega’s of oud-collega’s tegen het lijf te lopen. Het liefst neem ik interviews op, maar daar werden mensen bloednerveus van, dus alles moest met aantekeningen. Mede daarom wilde ik dat ze de tekst vooraf lazen: klopte die wel? Zij wilden dat ook, en even was ik bang dat ze kritische uitspraken zouden schrappen. Maar het waren bijna altijd zinnetjes die mij onschuldig leken: ‘Dat “prachtige uitzicht vanaf de negende verdieping” moet weg, anders weet iedereen binnen mijn wereldje meteen over wie het gaat.’ Of: ‘Niet erbij zetten dat ik ’s morgens begin met een kop thee. Ik ben de enige op mijn handelsvloer die dat doet!’ Sommige mensen leken zich voor hun angst te schamen en vroegen me verwijzingen naar hun zenuwen te verwijderen – een code of silence over de code of silence.

Zodra ik tien uitgewerkte interviews had, plaatste ik ze op www.guardiannews.com/jlbankingblog, vergezeld van een oproep aan insiders om in ruil voor anonimiteit te vertellen wat er in die glazen torens van ze allemaal gebeurt. ‘Democratie lijkt steeds meer een systeem waarin kiezers bepalen welke politicus gaat uitvoeren wat de financiële sector dicteert,’ probeerde ik extra te prikkelen. ‘Dus wie zijn jullie?’

Toen gebeurde het. Ik had een e-mailadres aangemaakt en binnen een paar uur begon die inbox vol te lopen. De eerste tien geïnterviewden waren mannen geweest, nu stroomden ook vrouwen toe, vaak met banen waarvan ik het bestaan niet had vermoed: een bond pricer, die de waarde bepaalde van obligaties die zo weinig worden verhandeld dat er geen marktprijs voor is; een insurance broker, die rederijen die hun boten moeten verzekeren koppelde aan beleggers die zulke polissen willen verkopen; een business investment adviser, die banken hielp bij de invoering van technologie en nieuwe regels; een fondsenwerver bij een ‘sharia-conforme’ investeringsmaatschappij, die investeerders verbond aan veelbelovende ondernemers

Met een ‘Hoofd Marketing’ bij een grote bank dronk ik in een non-descripte koffietent bij St. Paul’s Cathedral een kop groene thee. Ze was eind dertig, sprak met een upper middle class-accent en maakte duidelijk graag sarcastische grappen.

‘Er zijn drie reacties als mensen horen waar ik werk,’ zei ze. ‘Teleurstelling: “Ik dacht dat je iets interessants deed.” Sommigen verklaren me persona non grata, en anderen gaan me behandelen als pinautomaat, die alles voor ze betaalt.’

Ze vertelde over ‘uitputtende hoeveelheden drank’ die je geacht wordt in te nemen op een avondje uit met klanten of collega’s, en daarna over de moeite die sommige mannen hebben met een vrouw die meer verdient dan zij. Daar moesten we allebei om lachen, wat een goed moment leek voor de vraag hoeveel zij dan verdiende. ‘Dat is heel gek,’ zei ze, opeens bijna blozend, ‘maar ik vind het uncomfortable dat hardop te zeggen.’ Ze pakte een servetje en schreef: ‘£ 110 000.’

Plus bonus? Ze knikte. Meestal de helft van haar salaris, plus 20 procent in opties. ‘In goede jaren het dubbele, maar in slechte jaren nul.’

Er viel een korte stilte, waarna ze benadrukte dat zij net als veel collega’s aan goede doelen gaf, wel 10 procent van haar bonus. ‘En we organiseren benefieten. Dat weet de buitenwereld niet, maar intern heeft iedereen het erover: Wat heb jij gegeven? Hoeveel heeft jouw benefiet opgeleverd?’ Je kan wel zeggen dat we verwend zijn, gaf ze toe. ‘Vrienden van mij werken als assistent in het onderwijs. Voor twaalfduizend pond per jaar.’

Ze vertelde dat haar studie niets met de financiële wereld te maken gehad. Waarom dan de City?

Haar glimlach hield het midden tussen stoer en ongemakkelijk: ‘Ik voed in mijn eentje een kind op. Dan moet je een baan hebben die in zekere zin dubbel betaalt.’

Het ‘Hoofd Marketing’ leek niet enorm bezorgd over de code of silence, en daarin was ze echt een uitzondering. Boven vrijwel elk gesprek hing een zwarte wolk van angst en stress. Dan keek iemand me opeens recht in de ogen, perste zijn of haar gezicht in een opgewekte plooi en fluisterde: ‘We staan nu op en lopen vrolijk kijkend deze zaak uit. Nu.’ Op zo’n moment was er een collega binnengekomen die kennelijk hetzelfde koffietentje gebruikte voor stiekeme ontmoetingen, bijvoorbeeld met een headhunter.

‘Nu ik zwart op wit teruglees wat ik heb gezegd, ben ik bang dat publicatie neerkomt op het schrijven van mijn eigen ontslagbrief.’

Minstens de helft haakte na het eerste e-mailcontact af, meestal door niet terug te mailen. Meer dan eens kwam iemand niet opdagen, of zegde per sms af – soms als ik al klaar zat in de koffiezaak, opschrijfboekje op schoot. Een aantal mensen trok zich ná het interview terug, bijvoorbeeld twee vrouwen die los van elkaar wilden praten over racisme, homofobie en seksuele intimidatie bij makelaardijen: ‘Het spijt me heel erg,’ mailde de ene, ‘maar nu ik zwart op wit teruglees wat ik heb gezegd, ben ik bang dat publicatie neerkomt op het schrijven van mijn eigen ontslagbrief.’

Vrouwen bleken in de regel zenuwachtiger dan mannen, en als ik dat ter sprake bracht, reageerden sommige vrouwen dat zij nu eenmaal meer oog hebben voor risico’s. ‘Wat heb ik er een hekel aan als ik “typisch vrouwelijk gedrag” vertoon,’ verzuchtte een van hen, terwijl sommige mannen zeiden: ‘Mijn vrouw verklaart me voor gek dat ik dit doe.’

‘Jij hebt geen idee hoe raar dit voor mij is,’ sprak een vrouw die jarenlang op de afdeling had gezeten waar anderen zo bang voor waren: pr & Communicatie. Het was zo’n vieze, regenachtige dag waarop ik vaak heimwee naar Nederland krijg, en we hadden dicht bij haar huis ergens in Londen afgesproken. Ze was midden dertig en had er ongeveer tien jaar op zitten bij een aantal toonaangevende banken.

Ze nam een slok van haar cappuccino: ‘Als ik nog voor de bank werkte, zouden wij hier niet zitten.’

Ik vroeg hoe haar afdeling erachter kwam dat iemand met een journalist had gepraat. Er zijn speciale bureaus die de media voor je bijhouden, legde ze uit ‘Soms tippen mensen binnen de bank je, zo van: Kijk dit eens.’

Betrapte bankiers werden verhoord en gedisciplineerd of ontslagen, zei ze bijna schouderophalend. ‘Ze moeten snappen dat journalisten nooit te vertrouwen zijn, ook al lijken ze nog zo aardig.’ Tevreden stelde ze vast dat althans bij haar bank ‘zoveel mensen waren gedisciplineerd dat ongeautoriseerde contacten met de pers nauwelijks meer voorkwamen’.

Ze beschreef de voorwaarden bij ‘geautoriseerde contacten’: pr zit als getuige en scheidsrechter bij het interview. Vooraf zijn de onderwerpen afgesproken en als de journalist daarvan afwijkt grijpt pr in: ‘Leuk geprobeerd, maar daar gaat hij geen antwoord op geven.’ Of beter: ‘Hij kan daar niks over zeggen, maar ik kan straks proberen iets voor je te regelen met iemand anders.’ Achteraf mag pr de citaten ‘reinigen’, wat minder sinister is dan het klinkt, benadrukte ze. ‘Het gaat om dingen die verkeerd geïnterpreteerd kunnen worden. Reputatie is nu eenmaal heel belangrijk voor een bank.’

Ze vroeg of ik ooit overwogen had zelf mijn geluk in de financiële sector te beproeven en ik antwoordde ontwijkend dat inderdaad nogal wat journalisten overstappen. Ze knikte: ‘De salarissen liggen veel hoger, dat zal wel de reden zijn.’ Hoewel… Ze grinnikte. Journalisten hadden volgens haar vaak geen idee hoe akelig het kan zijn bij een bank. ‘Geregeld kwam ik er op de gang eentje tegen die was overgestapt. De eerste zes maanden hebben ze zo’n shell-shocked blik van: what the fuck? Tja, toen ze nog journalist waren deden de bankiers juist zo aardig tegen ze.’

We grinnikten en ik zei dat ik daarom nooit interviews ‘via pr’ doe. Dit zou ze nooit hebben verteld als hier een collega als getuige en scheidsrechter bij had gezeten, toch? Waarom schond ze nu zelf de regel die ze jarenlang aan anderen had opgelegd?

Misschien is dit ook een biecht, zoals een goed katholiek betaamt.’

Ze dacht even na en zei toen dat ze wilde bijdragen aan een beter geïnformeerd debat: ‘En misschien ook omdat ik een carrière lang mijn mening heb ingeslikt… Vanbinnen schreeuwde ik het soms uit: Ja! Dat is precies de vraag die je nu moet stellen.’ Maar dan greep ik in en stuurde het interview naar een onderwerp dat goed was voor de bank… Misschien is dit ook een biecht, zoals een goed katholiek betaamt.’

Foto: Andy Rain/EPA

Een bankgebouw in Londen. Foto: Andy Rain/EPA

Hoe diep de angst bij mensen zat, bleek moeilijk over te brengen aan buitenstaanders – bijvoorbeeld aan de wetenschappers, journalisten en documentairemakers die, toen het blog een beetje begon te lopen, bij me informeerden of zij ook eens konden praten met de geïnterviewden. Als ik zo’n verzoek doorstuurde, zeiden mensen: ‘Sorry, één keer mijn baan riskeren is genoeg.’

Zo bleek de code of silence een enorme filter op het beeld dat buitenstaanders van de City en de financiële sector hebben. Wat een verschil met de wereld van de elektrische auto, waar insiders hadden staan trappelen en ik zelf kon kiezen wie ik ging interviewen. In de City was ik grotendeels aangewezen op wie uit eigen beweging naar voren kwam, maar zeker in het begin werkte dat best. Want velen gaven zich juist op om de buitenwereld iets te leren. En meer nog: om misverstanden en stereotypes over de City te bestrijden.

Bijvoorbeeld dat de financiële wereld uitermate complex is. Ja, zeiden mensen, wat de wis- en natuurkundebollebozen ofwel quants doen, is heel ingewikkeld. Maar de rest…’

De financiële wereld heeft een boel jargon, zei iemand die tot voor kort als dealmaker bij een grote bank fusies & overnames door grote bedrijven begeleidde. ‘En dan bedoel ik: een boel. Dat moet je je eigen maken. Maar je hoeft niet briljant te zijn, je moet slim genoeg zijn.’

Hij was begin dertig, afkomstig uit Oost-Azië, en sprak met de beleefde onverstoorbaarheid die veel alumni van Amerikaanse elite-universiteiten zich eigen hebben gemaakt. Bij een feitelijke onjuistheid mijnerzijds zei hij: ‘Actually, no…’, om die to the point recht te zetten. Tegen een onjuiste bewering ging hij in met: ‘I think I’d challenge the premisse in what you just said.’

Een carrière in de City beschreef hij als ‘voor een deel duursport’, en dat waren velen met hem eens. Het ‘Hoofd Marketing’ dat liever niet hardop zei hoeveel ze verdiende, benadrukte dat velen er gewoon in rollen: ‘Wat je nodig hebt in de City is geloof in jezelf. Soms moet je interne opleidingen volgen om technische dingen te snappen. Bij mijn eerste sollicitatie wist ik niet eens het verschil tussen aandelen en obligaties.’

Wij zijn echt niet allemaal raketgeleerden, zeiden mensen, en miljonairs zijn we al helemaal niet. Een interdealer broker die jaren op een handelsvloer werkte sprak namens velen toen hij zei: ‘De treurige waarheid is dat misschien 5 procent in de City echt geld verdient. De rest krijgt meer dan mensen met eenzelfde opleidingsniveau elders, maar werkt ook meer. Hoe dat gaat: ik zit aan mijn bureau en kijk naar mijn baas. Hij heeft miljoenen op de bank, een paar auto’s en een eigen vliegtuig, een hotel aan de Middellandse Zee. Mijn baas is niet slimmer dan ik. Waarom hij wel en ik niet? Dus ik teken weer een jaar bij, wachtend op de klapper. Zo gaat het. Die 95 procent weet dat slechts een kleine groep het grote geld pakt. Dagelijks word je geconfronteerd met die figuren, van dichtbij. Je gaat denken: Dat kan ik ook.’

Een interne boekhouder van eind twintig bij een grote bank vroeg ik wat lezers het meest zou verbazen over haar werk. ‘Wat een doodnormale kantooromgeving het bij ons is,’ antwoordde ze. ‘Totaal niet overbetaald – wij niet althans. In een andere branche zou ik misschien 10 procent minder verdienen. Hooguit.’

Op datingsites liet ze tegenwoordig weg waar ze werkte. ‘Anders maak je gewoon geen kans.’

Toen ze afstudeerde, was haar geadviseerd bij een bank te beginnen; als accountant kon je daarna overal aan de slag. Dat was vóór de crisis. Al een tijd zocht ze naar werk buiten de sector. Laatst kwam er een baan langs waarvoor ze volgens haar job coach een perfect cv had. Ze werd niet eens uitgenodigd voor een gesprek. Het bedrijf wilde geen accountant van een bank, had haar job coach achterhaald. Die zou niet in de cultuur passen. ‘Ze hadden me nog nooit ontmoet,’ zei ze bitter. ‘Pure vooroordelen.’

Op datingsites liet ze tegenwoordig weg waar ze werkte. ‘Anders maak je gewoon geen kans.’

Elk interview hielp me van een klein of groter vooroordeel of cliché over de financiële wereld af, en tegelijk leerde ik bij – dat de sector veel meer omvat dan ‘de’ banken, en wat een diepe kloof er gaapt tussen ‘zaken-’ en ‘consumentenbankiers’.

Een jonge restructurer die bedrijven in financiële problemen zo probeerde te saneren dat ze niet failliet gingen – en de leningen van zijn bank alsnog zouden afbetalen – onderstreepte een paar keer hoezeer zijn werk verschilde van het ‘zakenbankieren’. Daar had hij korte tijd gewerkt, op een handelsvloer. Het was niks voor hem: ‘Binnen restructuringteams heb je echte kameraadschap. En geen dikdoenerij. Niet zoals bij de zakenbanken, waar je als junior niets hebt in te brengen. Bij ons luidt het motto: “Niemand is groter dan het team, en iedereen komt aan de beurt om koffie te halen.” ’

‘Handelaren en dealmakers bij zakenbanken vinden mijn soort saai,’ gnuifde de vrouw met wie ik kort voor de kerst in een restaurant aan de Theems kon afspreken. ‘Zij zitten in een glazen gebouw in hun telefoons te schreeuwen en naar cijfers op een scherm te staren. Ik kom in heel Europa, Rusland, Azië, Saudi-Arabië – in mijn eentje. Voor de opening van een zonnepanelenpark, een olieraffinaderij. Wie heeft hier nou de saaie baan?’

Het was ijskoud die dag en de City was onherkenbaar: even nergens beheerst gehaaste mannen en vrouwen in pak, en overal warm aangeklede toeristen. Ze was eind twintig, working class, en had een exacte academische achtergrond. Terwijl de ober een groot bord wentelteefjes met aardbeien bracht, legde ze uit hoe het werkt in ‘projectfinanciering’. Een overheid wil een school laten bouwen, of een brug, elektriciteitscentrale of vliegveld. Allerlei bedrijven komen dan samen in consortia, want niemand heeft alle expertise in huis; een bouwbedrijf weet hoe je een tolbrug neerzet, maar niet hoe je ’m exploiteert, wat weer een ander vak is dan onderhoud of financiering. De overheid schrijft een tender uit waarop de consortia bieden, het winnende consortium voert het project uit.

Veel mensen in de City werken aan een stukje van een ‘deal’, zei ze tussen twee wentelteefjes door, en geven dat door aan iemand die weer een stukje doet. ‘Ik doe een heel project en als ik door het land rij, denk ik: Die tolweg is van mij, daar staat mijn school, mijn politiebureau.

Ooit had ze stage gelopen op de handelsvloer van een zakenbank: transacties van handelaren verwerken. ‘De hele dag werd er tegen me geschreeuwd, vaak over dingen die zij zelf fout hadden gedaan. Een goede handelaar moet assertief zijn en snel reageren. Dat zal hun houding tegenover andere mensen beïnvloeden. Staan ze in de kantine weer te schreeuwen tegen de mevrouw van de broodjes.’

Haar inkomen lag rond de 100 000 pond. ‘Zwaar overbetaald,’ vond ze. Maar ze ging zich niet lopen schamen. ‘Ik betaal het volle pond aan belasting.’ Met haar aanleg voor wiskunde kon ze in een zakenbank veel meer verdienen. Ze piekerde er niet over. ‘Zakenbanken verdienen geld met geld; ze speculeren. Dat schept een sfeer die mij niet aanstaat. Het is erg prettig om dat soort figuren niet tegen te komen, zelfs niet in de lift.’

Foto: Andy Rain/EPA

Een van de financiële centra in Londen. Foto: Andy Rain/EPA

Niets menselijks bleek de financiële wereld vreemd, en de antropoloog in mij bloeide op. Met alle ongeschreven regels, taboes en interne hiërarchieën is de City net een dorp, of een stam.

Insiders gebruiken de codes om elkaar te plaatsen, en dat was te leren. Een financieel advocaat van eind dertig keek tijdens onze lunch in een duur restaurant nabij Exchange Square op een bepaald moment rond en zei: ‘Hoofdzakelijk advocaten. Ik zie nergens “trofee”-echtgenotes of -vriendinnen, van die overdreven duur geklede vrouwen. Ik zie mannen die hun colbert aanhouden. Als je gaat eten met een klant, zul je als advocaat nooit als eerste je jasje uitdoen; hoe dan ook houden we het uniform graag intact. Ik zie ingetogen dassen – dat hoort ook bij advocaten. Dit restaurant is erg goed, maar niet uitbundig, volgens mij noemde The Sunday Times het interieur vorige week “saai”. Saai is goed, voor advocaten. Wij verkopen betrouwbaarheid, soliditeit, behoedzaamheid.’

Wie in de City eenmalige projecten of deals doet, loopt er zo succesvol mogelijk bij. ‘Als je beursgangen begeleidt, kom je voorrijden in de duurste auto die er bestaat. De ondernemer moet denken: die bankier heeft vast al meer bedrijven naar de beurs gebracht, hoe komt-ie anders aan die wagen? Een beursgang doe je één keer, en het belangrijkste is dat-ie slaagt; niet of de bankier 1,2 of 1,3 procent provisie bedingt. Heel anders zijn langetermijnrelaties, waar je facturen stuurt. Dan laat je dat peperdure horloge juist thuis. ‘Wij rekenen stevige tarieven,’ zei de financieel advocaat. ‘Die rijkdom willen we onze klanten niet inwrijven. Anders gaan ze denken: Betaal ik niet te veel?’

Op eenzelfde manier leerde ik dassen, schoenen, horloges of ringen analyseren, zoals ik me ook snel aanwende om ‘Goldman’ of ‘Goldmans’ te zeggen in plaats van Goldman Sachs, ‘SocGen’ (sokdjèn) voor de Franse bank Société Générale en ‘Deutsche’, dus zonder ‘Bank’. Het bedrijfsleven buiten de financiële sector ging ik ‘de echte economie’ noemen, en een baan een ‘rol’.

Bijna ongemerkt begon ik te praten over total comp in plaats van salaris plus bonus, en ik dacht niet meer aan Tolkien als iemand bloedserieus zei: ‘Ik werk in the Magic Circle.’ Zo heten in de City de vijf advocatenkantoren die de markt voor juridisch financiële diensten beheersen.

De red-eye is een nachtvlucht, broker’s ear het vermogen om vijf gesprekken tegelijk te volgen, en het fat finger syndrom de nachtmerrie van iedere handelaar: het gaat zo snel op de beurs dat je geen pop-up venstertjes op je scherm kunt hebben met ‘Weet u zeker dat u 500 000 aandelen British Airways wilt kopen?’ Een fat finger is het fatale moment dat je een nulletje te veel intypt en dat als een gek moet proberen recht te zetten.

Het is helemaal niet zo’n moeilijke taal, Financialese, en na een tijdje kon ik zelfs moppen erin vertellen.

Het is helemaal niet zo’n moeilijke taal, Financialese, en na een tijdje kon ik zelfs moppen erin vertellen. Wat zou een bankier bij Goldman doen als-ie 5 miljoen dollar had? – Vragen waar de rest is gebleven. Of: Wat is een econoom? – Iemand die het oneens is met een andere econoom. Overigens zijn er drie soorten economen: zij die kunnen tellen en zij die dat niet kunnen. Economen hebben zeven van de laatste drie crises goed voorspeld, dus de economische wetenschap is niet waardeloos. De helft is zelfs nuttig – jammer dat economen het er nooit over eens kunnen worden welke helft.

Eigenlijk was er tijdens deze verkenning van de City maar één probleempje, en daar was ik al tijdens het allereerste interview tegenaan gelopen.

Het was een bloedhete zomeravond en op zijn voorstel hadden we afgesproken in een restaurant aan Covent Garden. Overal zag je afgepeigerde toeristen in felgekleurde outfits en obers die duidelijk al een dag lang bestellingen bij ze hadden opgenomen.

Het was een grote, joviale twintiger die al een paar jaar als salesmanager werkte bij ‘een leverancier van datamanagementservices rond fusies & overnames’.

Ik vroeg of ik kon vermelden wat hij ging eten. Als voorafje nam hij foie gras, gevolgd door een hamburger met patat en als toetje een dubbele macchiato met cognac. We dronken er een witte wijn bij, die hij uitzocht.

Het voorgerecht kwam, ik sloeg mijn opschrijfboekje open en vroeg wat een salesmanager bij een leverancier van datamanagementservices rond fusies & overnames eigenlijk doet.

Lees ook

Op nrc.nl: Het kan zo weer gebeuren, Luyendijks conclusie na twee jaar in de City
In nrc.next: Ik ga je nu vertellen hoe het zit (€), de lessen die Luyendijk in Londen leerde over de journalistiek
In nrc.next: Prachtig journalistiek werk, steeds dichter bij het vuur (€), Marc Chavannes’ recensie van Luyendijks boek
In NRC Handelsblad: Toen de quants de bank binnenkwamen (€), een column van Luyendijk over de opkomst van wiskundigen in het bankwezen

Hij nam een hap ganzenlever en legde uit dat als een bedrijf te koop staat, bankiers, accountants, consultants en advocaten door de boeken gaan om de waarde te bepalen. Dat kan wel zes maanden tot een jaar duren, want vaak zijn de archieven niet goed op orde en is een deel geheim, papieren documenten in een kluis. Zijn bedrijf bracht dat materiaal op orde en zette het op één schijfje, zodat de specialisten aan het werk konden. ‘Zo’n cd-rom is versleuteld,’ zei hij, ‘maar toch: je wilt die niet kwijtraken.’

Ik vroeg naar het grootste taboe en zonder aarzelen zei hij: ‘Vertrouwelijkheid schenden. Laatst hoorde ik in een bar iemand praten over een deal, hardop en in detail. Als ik iets had gedaan met die informatie, was die gast fucked. Daarom heb je codenamen voor deals. Stripfiguren, Griekse goden of anagrammen, waarbij je de letters door elkaar husselt. Vier potentiële kopers kun je vernoemen naar de Daltons in Lucky Luke. Ik stel me graag voor hoe die dure en drukke bankiers daarover vergaderen.’

Hij zag mijn grijns en moest zelf ook lachen, maar toen vroeg ik naar de crash van 2008. Hij keek me aan en haalde zijn schouders op: ‘Eh… weet ik veel. Wat zou ik daarover moeten weten? Ik zit in fusies & overnames.’

Dat was het probleempje.

Foto: Will Oliver/EPA

Een bezoeker kijkt uit over het financiële hart van Londen vanuit het Leadenhall Building, een van de nieuwste wolkenkrabbers in de stad. Foto: Will Oliver/EPA