Zonder goud was Wim Ruska’s leven ‘zinloos geweest’

Wim Ruska (1940-2015)

Judoka

De olympisch kampioen van 1972 heeft zich jaren miskend gevoeld.

Van boven naar beneden: Wim Ruska in 1964, tijdens de Olympische Spelen van 1972 en in 2011. Foto’s ANP

Een bosje bloemen van de buren, een taart van de bakker en een vlag in de tuin. Veel meer stelde de ontvangst van Willem Ruska niet voor, nadat hij in 1972 twee gouden olympische medailles had gewonnen. De terroristische aanslag op Israëlische sporters in het olympisch dorp legde voor altijd een schaduw over de titels van een van de beste judoka’s ooit.

De zaterdag overleden Ruska (74) heeft zich jaren miskend gevoeld. Hij had Anton Geesink overtroffen, de judolegende die in 1964 in Tokio olympisch goud had gewonnen, maar niemand wilde het zien. Ruska had verwacht rijk te worden na al het afzien, maar dat gebeurde niet. „Niemand zat op mij te wachten”, zei hij eens.

Ruska kreeg pas erkenning toen hij het niet meer had verwacht. In 2013 werd hij opgenomen in de ‘hall of fame’ van het internationale judo, voor zijn verdiensten voor de sport. Hij miste de ceremonie in Rio de Janeiro, omdat de reis te inspannend zou zijn geweest. Een hersenbloeding had hem om 2001 deels verlamd en zijn spraakvermogen aangetast.

Maar de trots over zijn olympische titels was van Ruska’s gezicht af te scheppen. Hij won stijlvol zijn eerste goud in 1972 op de openingsdag van de Olympische Spelen in München. Vijf dagen daarna gijzelden Palestijnse terroristen de Israëlische sporters. De bevrijdingsactie mislukte. Elf Israëlische sporters en vijf terroristen kwamen om het leven.

The Games must go on”, sprak de olympische baas Avery Brundage. Een omstreden beslissing. Was het gepast te sporten alsof er niets was gebeurd? Sommige Nederlandse sporters gingen terug, anderen bleven, zoals Ruska. Hij haalde na het goud bij de zwaargewichten ook in de open klasse de olympische titel.

Ruska had nooit mogen vechten na het gijzeldrama, oordeelde Nederland bij zijn thuiskomst. Hij werd genegeerd. Ruska vond dat hypocriet en heeft zijn keuze altijd verdedigd. „Ze hadden nooit kans op een medaille”, zei hij eens over de vertrokken sporters. „Ik wel. Ik moest winnen. Ik moest een gouden medaille méér winnen dan Geesink. Anders had mijn leven geen zin gehad.”

Ruska had als jonge judoka nog opgekeken tegen Geesink en hem zelfs eens beschermd. Hij vertelt in Ruska, een heruitgave van het boek Vallen & Opstaan van Wim Koesen, hoe een Japanner Geesink te lijf wilde in een restaurant. Ruska voorkwam dat Geesink het zelf zou oplossen en zijn goede naam zou verliezen. Hij sloeg de Japanner bewusteloos en belandde „een nacht in de knip”.

De animositeit tussen de twee ontstond toen ze concurrenten werden. Ruska zei dat Geesink bang was dat hij hem zou overtreffen, en het niet snapte dat hij hem niet adoreerde, zoals andere judoka’s. Geesink stelde dat Ruska er alleen maar op uit was hem „een pak op mijn sodemieter” te geven.

Twee olympische titels, twee WK-titels en zeven EK-titels waren niet voldoende uit de schaduw van zijn rivaal te treden. Geesink, overleden in 2010, was de eerste die de Japanners in hun eigen sport had verslagen, en hij trad handig in de publiciteit. Ruska schuwde gepeperde taal niet, hield van een geintje, en vocht nog wel eens op straat een ruzie uit.

Toch noemen de judoka’s van deze eeuw vaak Ruska als hun voorbeeld. Dennis van der Geest, wereldkampioen in 2005, had op zijn jongenskamer een foto van hem. Hij streefde als zwaargewicht naar de explosieve stijl van zijn held. Mark Huizinga, olympisch kampioen in 2000, leende als kind het boek over Ruska drie keer bij de bibliotheek, zo genoot hij van de anekdotes over trainen in Japan en sjouwen met boomstammen.

Cor van der Geest, voormalig directeur van de judobond, trainde met Ruska in aanloop naar de Spelen in 72. „Ik heb veel van hem geleerd, niet door wat hij me vertelde, maar door wat hij je liet voelen op de mat.” Van der Geest zal zich ook met een glimlach diens „gekkigheid en stoutheid” herinneren. Want saai was het nooit met Ruska, gevormd door een jeugd in Amsterdam, waar hij moest knokken voor zijn plekje. Hij werd matroos en voer op de Karel Doorman. Daar kreeg hij, zo vertelt hij in zijn boek, een maand detentie opgelegd omdat hij een korporaal „een stomp voor zijn kokosnoot” had gegeven. Het is vermoedelijk de reden dat hij nooit koninklijke onderscheiden werd.

Ruska, ook een fanatiek catamaranzeiler, verdiende na zijn titels zijn geld als professioneel worstelaar in Japan, werkte in dienst van ‘Zwarte’ Joop de Vries als portier op De Wallen en had zijn eigen kroeg in Wormerveer. Totdat tijdens een vakantie op Tenerife een hersenbloeding de blonde reus velde. De laatste jaren woonde Ruska in een verpleeghuis in Hoorn, waar boven zijn bed de oorkonde hing die zijn vrouw Liza in ontvangst had genomen bij de ceremonie voor de hall of fame. Het was de erkenning waar hij zo lang op had gewacht.