Column

Ruska

Zijn vader kon een motorblok uit een auto tillen. Dat wist Willem Ruska en hij vond het prachtig. Niet dat hij zijn sterke vader – een Amsterdamse garagemonteur – ooit zag, nee, die had al de pleitvaart genomen toen Willem op 29 augustus 1940 werd geboren.

Willem woog tien pond. Als baby al een zwaargewicht.

„Maar mijn moeder was niet bang voor de bevalling”, zei de judoka later, die tijdens zijn successen op de mat rond de 110 kilo zou wegen.

Zaterdag hoorde ik van de dood van Ruska. In een antiquariaat vond ik een eerste druk van Vallen & Opstaan (Wim Koesen, 1972). Zeven euro armer, het levensverhaal van een judokampioen wijzer.

In het boek viel mijn oog op een zwart-witfoto: Willem Ruska en Anton Geesink staan in zwembroek tot aan hun enkels in het zeewater. De judoka’s hangen rond bij een waterfiets. Er zitten twee meiden in; ze giechelen verlegen bij het zien van zoveel kilo’s man.

Anton heeft een slap buikje. Ik kijk naar Ruska. Allemachtig, wat een torso. Vanuit zijn heupen lopen twee enorme spieren schuin zijn zwembroek in. Krachtig, hard, geil en viriel.

Michelangelo had bij het zien van een naakte Ruska zijn David omver gedonderd en was met de Amsterdamse judoka als nieuw model woest gaan hakken in het marmer.

Eén zin van Ruska uit het boek gonst na: „Geesink is van gisteren, ik ben van vandaag.”

Zijn hele leven heeft Ruska moeten vechten tegen de status van Geesink. O, wat had hij hem af en toe graag een oplawaai verkocht. „Ik word soms gedeprimeerd als de mensen mij zien als Anton zijn schaduw.”

Ruska won in 1972 in München twee gouden olympische medailles, bij de zwaargewichten en in de open klasse. Het succes werd overschaduwd door een terroristische aanslag: elf atleten uit Israël en een Duitse politieman kwamen om het leven.

Als jongen hield ik in die tijd een olympisch plakboek bij. Op het laatst beschreven vel staat met rood potlood: Moord. Ruska moest het in eigen land ontgelden omdat hij tot het einde in München bleef.

In 2001 werd Ruska getroffen door een hersenbloeding. Er rolden nog maar weinig hele woorden uit zijn mond. Het grote lijf had een rolstoel nodig.

„Ervoer je het als onrecht dat het jou overkwam?” vroeg interviewer Martin Simek, in 2004 op bezoek bij de judoka.

„Juist”, zei Ruska.

Dat ene woord deed zeer. Ruska’s lichaam zat voorgoed vast in een wurggreep. En aftikken kon hij niet meer.

Ruska (74) overleed zaterdag in een verzorgingstehuis in Hoorn. Ik bladerde weer terug naar Ruska in zwembroek. Dit sterke lijf leek ooit geschapen voor de eeuwigheid. Maar de blonde reus ging dood.

Net als Geesink is Ruska nu van gisteren.