Ode aan de vergeten schilders van de jaren 80

Voor Jasper Krabbé was de tentoonstelling van de Mexicaanse kunstenaar Julio Galàn in 1992 in het Stedelijk Museum een absolute eyeopener. Twintig jaar later maakte hij een ode aan de vroeg gestorven kunstenaar.

Enzo Cucchi, Viaggio Eroico, 1980. Olieverf op doek, 260×110 cm. Foto’s Stedelijk Museum

Wie kent Julio Galàn nog, de Mexicaanse kunstenaar die dankzij Andy Warhol een ster werd in het New York van de jaren tachtig? Met zijn dromerige, collage-achtige schilderijen vond hij vanaf 1984 aansluiting bij de groep neo-expressionistische schilders die destijds grote successen boekten, onder wie Julian Schnabel, Kenny Scharf en Francesco Clemente. Hij werd vertegenwoordigd door grote galeries, deed mee aan de Whitney Biënnale, en had in 1992 een tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Maar toen hij in 2006 op 46-jarige leeftijd stierf aan een hersenbloeding tijdens een vlucht naar Monterrey in Mexico, leek de kunstwereld hem ook weer onmiddellijk vergeten.

Voor schilder Jasper Krabbé (1970) was Galàns tentoonstelling in het Stedelijk destijds een absolute eyeopener. „In twee kabinetten toonde hij fabelachtige pasteltekeningen”, herinnert hij zich. „Die hebben me echt omver geblazen. Op de cover van de catalogus stond de tekening Huevos en Careyes, een zelfportret waarop de kunstenaar met eieren op zijn rug is afgebeeld. Het is een portret dat iets wankels heeft, dat kwetsbaar is maar tegelijkertijd zo krachtig. Het is een surrealistisch, maar ook een beetje kitscherig beeld, met dat vet in zijn haar.”

Dus toen Krabbé werd uitgenodigd om een tentoonstelling samen te stellen uit het depot van het Stedelijk Museum is hij heel gericht naar Galàn op zoek gegaan. „Hij is voor mij echt een held. Galàn heeft mij bevrijd van het idee dat kunst high art moest zijn. Hij maakte ook reisposter-achtige collages, die er heel gelikt uitzagen. In de jaren tachtig mocht dat gewoon mode zijn. Die dromerige esthetiek, die Galàn en Clemente hadden, en Schnabel tot op zekere hoogte, die waardeer ik erg in kunst.”

Zelf maakte Krabbé in die tijd vooral graffiti. Zijn spuitbusletters hebben vijftien jaar lang de daklijst van de Sandbergvleugel van het Stedelijk gesierd, totdat een collega-artiest er een jaar voor de sloop overheen spoot. „Beter op het museum dan in het museum, was toen mijn motto”, grinnikt Krabbé. „Maar in de werken van Galàn herkende ik eenzelfde soort beeldtaal. Hij had een prachtig doek van een pianospeler, waar hij met een spuitbus een vorm overheen gezet had. Schnabel deed ook vergelijkbare dingen. Zij gebruikten technieken en invloeden uit de graffiti en brachten die in hun schilderkunst. Voor mij was het andersom: ik hield me bezig met graffiti en ik wilde juist meer schilderen. Hun werk heeft me sterk beïnvloed.”

Inmiddels zijn ze hun hipheidsfactor een beetje kwijt, de jonge wilde schilders van toen die Jasper Krabbé in het Allard Pierson Museum laat zien. De doeken van schilders als Enzo Cucchi en Francesco Clemente zijn ruim vertegenwoordigd in de Stedelijk-collectie, maar het depot verlaten ze nog maar zelden. „Voor mij zijn die schilders nog steeds heel waardevol”, zegt Krabbé. „Zij hebben hun hoogtepunt weliswaar gehad, maar ze produceren nog steeds werk. Het gaat mij om de continuïteit van de schilderkunst, om het feit dat die kunstenaars nog elke dag naar hun atelier gaan en mooie dingen blijven maken. Alleen worden ze niet meer gezien, omdat hun werk uit de mode is geraakt. Nu is het vooral postconceptueel werk dat je in de musea tegenkomt, het echte schilderen is niet hip meer. Dat vind ik zonde. Want voor een hele generatie kunstenaars is hun werk nog steeds relevant.”

Tussen de kunstwerken van Schnabel, Clemente en Galàn hangt ook een schilderij van Krabbé zelf, het dromerig witte doek Asleep dat in 2002 door Rudi Fuchs werd aangekocht. „Dat ik mijn eigen werk laat zien, kan natuurlijk heel verkeerd worden uitgelegd”, lacht Krabbé. „Ik wil ermee laten zien waar ik vandaan kom: dit zijn mijn helden, met deze guys begon het. Het is echt een tijdsbeeld dat ik hier toon. Toen ik dit schilderij maakte, had ik net les gehad van Markus Lüpertz. Hij was op dat moment bezig met een serie beelden die geïnspireerd was op de Griekse Oudheid. Ik vond het mooi hoe hij die belegen onderwerpen weer urgent maakte in zijn kunst. Dat is ook vrijheid, dat je dat soort bronnen gewoon vrijelijk kunt gebruiken. Daarin heeft Lüpertz me gesterkt.”

Julio Galàn is altijd door het hoofd van Jasper Krabbé blijven spoken. In 2011 maakte hij met een serie van veertig tekeningen een ode aan de Mexicaanse kunstenaar. „Het is een fictief levensverhaal, dat ik deels gebaseerd heb op zijn biografie en op foto’s uit zijn jeugd. Maar omdat er niet veel meer over hem te vinden is, heb ik ook mijn fantasie gebruikt. Ik probeerde me voor te stellen wat je ziet als je overlijdt – dat idee van een film die aan je voorbij trekt. Misschien had Galàn nog wel veel meer beelden in zijn hoofd die hij had willen maken. Ik kon me bijvoorbeeld de wandeling voorstellen voordat hij aan boord van het vliegtuig ging, daar heb ik een tekening van gemaakt.”

Krabbé: „Eigenlijk is de serie een ode aan de vergeten kunstenaar. Het lijkt me zo mooi als Galàns nabestaanden ooit nog eens plots op mijn tekeningen zouden stuiten. Dat ze bij het googelen per toeval zo’n afbeelding tegenkomen. Dat moet toch een mooie ontdekking zijn voor een vader of een zus – de wetenschap dat er ergens in Amsterdam een schilder is die enorm door de kunst van hun zoon of broer geraakt is.”