Middeleeuwse beeldhouw-meesters

Anonieme middeleeuwse beeldhouwmeester een naam geven, hun schoonheid tonen: dat is de ambitie van Herman Pleij bij zijn keuze uit het depot van het Catharijneconvent.

‘Werk van kunstenaars met grote namen, dat zien museumbezoekers graag”, zegt Herman Pleij. „Maar het probleem met middeleeuwse kunst is dat er nog maar zo weinig meesters bij naam bekend zijn.” Voor het DWDD pop-upmuseum koos Pleij, emeritus hoogleraar in de Historische Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam maar ook bekend om zijn vele cultuurhistorische studies naar vaak middeleeuwse onderwerpen, dus een andere invalshoek. Meer dan de makers van de kunstwerken, staan aspecten van de geschiedenis van de voorwerpen en hun oorspronkelijke functie centraal.

Het kostte nog moeite een keuze te maken uit de collectie van Museum Catharijneconvent in Utrecht. Pleij geeft toe dat de verleiding groot was om ‘zijn’ zaal in het Allard Pierson Museum vol te zetten met een ruime keuze uit de 80.000 voorwerpen die de depots van het Catharijneconvent bevatten. Maar het moest beperkt en uiteindelijk bleven er twee handenvol beelden en stukken textiel over. Ze zijn opgesteld in een „soort doorgangsruimte met drie uitgangen”, zegt Pleij, „wat ook een voordeel kan zijn want uitgangen zijn ook ingangen en iedereen komt erlangs.”

De selectie bestaat voor het grootste deel uit sculpturen die in de loop van de vijftiende en zestiende eeuw zijn ontstaan in de Nederlanden. Sommige vertonen nog resten van de beschildering waarvan beelden in de Middeleeuwen vaak werden voorzien. In veel gevallen zijn de kleuren vervaagd of weggehaald. „Die bonte uitdossingen vinden we tegenwoordig niet meer mooi”, zegt Pleij, „maar ze voegen wel degelijk iets toe aan het beeld.” In het geval van een Mariabeeld met een rood gewaad en een blauwe mantel, bijvoorbeeld, maken „haar kleren haar koningin van de hemel met het blauw en rood van eeuwigheid en gezag”.

Elk geëxposeerd beeld representeert een andere karakteristiek van het, bijna vanzelfsprekend voor die periode, vaak religieuze gebruik ervan. De uitgebeelde thematiek wijst daarop: Madonna met kind, of een zogenaamde Sint-Anna te drieën met Maria en haar zoontje op schoot bij hun moeder en grootmoeder Anna. Maar ook is er een „eigenlijk toch wel heel bizarre” losse arm met zegenende hand, waarin een geneeskrachtig stukje bot uit de arm van de heilige Lucia is verwerkt – een mooi gemaakte reliekhouder die zonder twijfel ook bedoeld was om goed betalende pelgrims aan te trekken.

Kunstig gemaakte voorwerpen getuigen soms ook van de intimiteit van het geloof. Een voorbeeld daarvan is een aandoenlijke, herkenbare uitbeelding van het Christuskind in een betrekkelijk klein, draagbaar devotiebeeld van omstreeks 1550. Het deed de beschouwer beseffen dat degene die hij vereerde als de Verlosser een mens was als hijzelf. Een heel bijzonder object is een doosje dat in 1576 „heel aandachtig door een non in rood en goud is geborduurd voor haar biechtvader”. Er zaten doekjes in die de priester tijdens de mis gebruikte en die, door hun aanraking met de eucharistie, zelf bijna heilig waren. „Soms”, schrijft Pleij in de expositietekst, „is het verleden heel tastbaar.”

Hoewel algemeen bekende kunstenaarsnamen in deze middeleeuwse sectie van het pop-upmuseum dus ontbreken, zijn er toch ook bij die bekend voorkomen. Die van de Utrechtenaar Colijn de Nole bijvoorbeeld, van wiens hand een fraai albasten beeld uit het midden van de zestiende eeuw wordt getoond. Of die van Jacob Cornelisz van Oostsanen, de zestiende-eeuwse Amsterdamse schilder en prentenmaker wiens werk vorig jaar voor het eerst aan het grote publiek werd gepresenteerd. Hij leverde ontwerpen voor geborduurde voorstellingen op kerkgewaden, waarvan de uitgebeelde heiligen voor het kerkvolk een leerrijk voorbeeld moesten zijn, en waarvan tegelijk de kostbaarheid van materiaal en uitvoering ontzag inboezemen.

Een lichtpuntje in de problemen rond de toeschrijving van middeleeuwse kunstwerken aan specifieke handwerkslieden ziet Herman Pleij in het feit dat er niet alleen nog veel kunstwerken uit die tijd bekend zijn, maar we uit schriftelijke bronnen ook veel namen kennen: „Met moderne technieken van materiaaltechnisch onderzoek en digitalisering van archieven wordt het gemakkelijker namen aan kunstwerken te koppelen.” Een voorbeeld van dit procedé is de tot voor kort volslagen onbekende Utrechtse beeldsnijder Raebe Lambert Luetensoen, die sinds een paar jaar een Madonna met kind op zijn naam heeft staan. Eén verwijzing naar een kunstenaar met een heel grote naam heeft Pleij overigens toch in zijn presentatie weten te verwerken. Bij het subtiele glimlachje van de Madonna die Raebe Luetensoen omstreeks 1475 maakte, zo vermeldt het bijschrift, „komt zelfs Mona Lisa nauwelijks in de buurt”.