Levendige vogels, in- en uitheems

De zeventiende-eeuwer zag een vogel het liefst op zijn bord, vertellen Pieter van Vollenhoven en Nico de Haan. Beiden zochten én vonden in de depots vooral levendige vogels in de kunst. „Met dwarrelende veertjes.”

‘Het is dierstil op deze schilderijen uit de zeventiende eeuw”, zegt hoogleraar Pieter van Vollenhoven. „Kijk eens naar de luchten, er is nauwelijks een vogel te bekennen. Ja, op jachttaferelen zien we dode vogels, maar daar kom ik niet voor.” Natuurliefhebber Van Vollenhoven en ornitholoog Nico de Haan zijn gastconservatoren Vogels van het pop-upmuseum van DWDD. „Wat we willen laten zien is dat de schilder- en tekenkunst van vogels een geschiedenis heeft”, zegt De Haan. „De zeventiende-eeuwer zag de vogel louter als decoratief dier op tafel. Pas later is men zich gaan interesseren voor de vogel als wetenschappelijk onderwerp.”

We bevinden ons in het depot van het Rijksmuseum in Lelystad, waar zich meer dan zevenduizend verborgen kunstschatten bevinden.

Rekkenwanden vol schilderijen glijden tevoorschijn. Er hangen juwelen tussen die zo in het officiële Rijksmuseum kunnen hangen. Hier maken de conservatoren de eerste keuze voor ‘hun’ vogelzaal in het Allard Pierson Museum. Daarna komt de selectie tot stand uit de Artis Bibliotheek van de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. Op die manier willen zij de vooraanstaande schilderkunst uit de zeventiende en achttiende eeuw combineren met de wetenschappelijke werken uit de negentiende eeuw.

Maar zo gemakkelijk gaat dat niet.

De eerst getoonde schilderijen zijn jachttaferelen met dramatisch dode vogels, het verenkleed dof van tint en niet levend glanzend, gedrapeerd in een entourage van drinkbekers, schalen met vruchten en wijnkannen.

Deze jachttrofeeën kunnen dan schilderkunstige hoogstandjes zijn, bijvoorbeeld van de Vlaamse barokschilder Frans Snyders, ze vinden weinig waardering in de ogen van Van Vollenhoven. „Ik ben geschokt”, laat hij conservator Pieter Roelofs van het museum weten, „de mens is zo verschrikkelijk doodmakerig. Als we straks een zaal inrichten met alleen dode vogels, welk verhaal vertellen we dan? Wat moeten jonge mensen zich hierbij voorstellen, dat onze voorvaderen maar drie dingen met vogels deden: ze doodschieten, schilderen en opeten? Ik mis bewondering voor de kleurenrijkdom van vogels en ook wil ik de vogels laten zien in hun natuurlijke omgeving, en niet omringd door tafelzilver. Je mag blij zijn dat er in Nederland nog vogels rondvliegen. Levende vogels spreken mij in mijn hart meer aan dan vogels op jachttableaus.”

Gelukkig gloort er opeens hoop. Er komt een imposant werk van de befaamde vogelschilder Melchior d’Hondecoeter te voorschijn, Vogels in een park uit 1686. Een vliegende sierduif, pauwen, slobeend, smient, alles wervelend, zelfs met losse dwarrelende veertjes. „Dit is wat we zoeken”, vult De Haan aan, „het is dynamisch geschilderd met rake typeringen.” Het werk hangt wat laag. Nico de Haan gaat op de knieën en determineert de soorten. „We hadden onze verrekijker mee moeten nemen, Nico”, zegt Van Vollenhoven op luchtige toon.

Ook indruk maakt het reusachtige doek Park met buitenhuis (ca. 1700) door Jan Weenix. Achter dit schilderij zit wel degelijk het verhaal waar Van Vollenhoven en De Haan naar zoeken. Het vertelt iets over de luxe menagerieën en volières die in de achttiende eeuw geliefd waren. Op deze schildering van een gefantaseerde buitenplaats vinden we Nederlandse en exotische vogelsoorten bijeen. Op een stok bovenin zit een blauw-gele ara, afkomstig uit Zuid-Amerika. Een inheemse pauw loopt trots op het terras. Een kleurrijke hop met zijn opstaande oranje kuif, afkomstig uit het zuiden van Europa, hipt op de rand van een stenen oranjeriepot.

Volgens De Haan heeft deze vogel een zinnebeeldige betekenis: „Hij stond vroeger symbool voor de ‘hopkens’, dat waren bezoekers van vrouwen van lichte zeden.” Als je met die blik naar het schilderij kijkt, krijgt ook het weelderig geklede jonge stel op de voorgrond een amoureuze lading.

Veel enthousiasme roepen decoratieve Franse schilderingen op, vervaardigd door een anonieme meester uit de late achttiende eeuw. Oogstrelend daarin is een groene specht die zijn vleugels spreidt. Van Vollenhoven herkent de vogel met zijn felrode kruin meteen: „Ik heb de groene specht op de Veluwe gefotografeerd. We zouden die foto ernaast moeten hangen, dan slaan we meteen een brug met het heden: de geschilderde vogel van toen en de gefotografeerde nu.”

De volgende stap die de keurmeesters nemen is naar de Artis Bibliotheek. Hier bevindt zich de fine fleur van wetenschappelijk onderzoek uit de late achttiende en negentiende eeuw in boeken en prenten.

Een meesterwerk is het vijfdelige Nederlandsche vogelen (1770-1829) van wetenschapper Cornelis Nozeman en tekenaar Jan Christiaan Sepp, dat in deze natuurwetenschappelijke schatkist wordt gekoesterd. Het boekwerk beeldt alle inheemse soorten uit, weergegeven op ware grootte in hun natuurlijke omgeving en voorzien van uitvoerige beschrijvingen. Conservator Hans Mulder bladert door de kostbare boeken, wijst op de accurate en levendige illustraties: „Zij ontdekten voor het eerst de Nederlandse natuur, minstens zo boeiend en opwindend als de uitheemse. Lepelaar, ijsvogel, rietzanger, purperreiger: allemaal inheemse vogelschoonheden.”

Het verhaal dat Van Vollenhoven en De Haan willen vertellen is ‘af’. De Haan: „Het mooie van deze afbeeldingen is dat ze tonen dat vogels niet zomaar overal voorkomen. Ze moeten voedsel kunnen vinden, gedijen, ze leven in hun biotoop. Dat lieten de vroegere vogelschilders nooit zien.”

Van Vollenhoven: „Deze vogels leven.”