Ilja Pfeijffer is geen lief dichtertje

Er is weinig idyllisch aan de nieuwe bundel Idyllen van Ilja Leonard Pfeijffer. Het gaat om de zwarte romantiek van de zelfkant, drank en dromen in duistere kroegen, en om anonieme seks en geilheid op grote dansfeesten in grote clubs op grote stranden, met veel cocaïne erbij.

Pfeijffer kan daar geweldig goed en geestig over schrijven, in een meeslepend mengsel van stijlen en registers: verheven en plat, lyrisch en brallerig. Van alles komt voorbij, van de taal van de man van de fruitautomaat tot het quasi-spirituele geneuzel van een geile feestganger die een meisje probeert te versieren: ‘Er is geen goed of slecht. Je moet weer ademhalen / als foetus in de moederbuik van het heelal. / Je imprint van neutrino’s vormt je wilskristal, / dat resoneert met jouw vermogen om me naakt / te zien als stavendrager die je chi aanraakt. / Je moet het laten gaan.’

Alles in deze bundel golft, deint en heeft ritme en Schwung. Dat geeft een roezig, bedwelmend effect. De vijftig idyllen zijn gemiddeld drie, vier bladzijden lang. Het leest allemaal als een trein – of, om een beeld van Pfeijffer te gebruiken, als een schip op de eeuwig deinende zee.

De liefde en het lijden aan de liefde vormen denk ik wel het hoofdbestanddeel van deze zangen, maar er is meer dan dat. Ze maken deel uit van een groter geheel dat je wel degelijk een vorm van zelfonderzoek zou kunnen noemen. In deze bundel, de eerste in zeven jaar, maakt Pfeijffer de balans op. Tussen alle erotiek en romantiek door gaat het wel degelijk om de grote vragen. Waar gaat het om? Wat heeft het leven te bieden?

De dampende beschrijvingen van het Ibiza-leven zijn tegelijk ook aanklachten tegen de leeghoofdigheid ervan. Er valt tussen de regels door genoeg kritiek te lezen op de koopzieke westerling en zijn armzalige burgerleven met hypotheekaftrek, bakfiets en de gezinsvakantie.

Er zitten regelrechte pamfletten tussen. Het onthutsende relaas van een Afrikaanse bootvluchteling die wij een ‘gelukszoeker’ noemen – die het niet haalt en sterft in zee. De lange monoloog van een jihadstrijder. Het relaas van een Palestijn die alles kwijt is – zijn huis, zijn boomgaard, zijn dochtertje van wie de ‘beentjes ervan af werden gereden / door joden die ons heilig land hebben betreden / op laarzen die geen foute stappen kunnen doen / omdat het jullie joden zijn. Vanwege toen.’ Zulke regels lees ik niet vaak in de gedichten van de lieve dichtertjes van Nederland en België.