Hoezo zouden die promovendi niet voor het geld kiezen?

De doorstroming van jonge onderzoekers naar een vaste baan is het echte probleem, meent Ilja Leonard Pfeijffer.

Minister Bussemaker van Onderwijs heeft vorige week bekendgemaakt dat universiteiten mogen experimenteren met het aanstellen van zogenoemde student-promovendi.

Jonge wetenschappers die in dienst van een universiteit onderzoek doen voor een dissertatie worden tot nu toe beschouwd als werknemers. Ze krijgen een salaris.

Vanaf 1 januari 2016 wordt het mogelijk zulke promovendi te beschouwen als student. Dan krijgen ze geen salaris meer, maar een beurs. Die beurs zal even hoog zijn als het huidige salaris.

Maar er zit natuurlijk een addertje onder het gras. Want over een salaris moeten de universiteiten sociale lasten, ziekte- en andere verzekeringen en pensioenpremies betalen. Bij een beurs hoeft dat niet.

De belangenvereniging van de universiteiten (VSNU) is enthousiast. Logisch. Ze krijgen meer promovendi voor hetzelfde geld of, beter nog, evenveel promovendi voor minder geld. Het netwerk van promovendi (PNN) is tegen.

Logisch. Als je als promovendus je eigen verzekeringen en premies moet betalen, houd je minder geld over. De tegenstanders spreken van een ordinaire bezuinigingsmaatregel. Probeer dat maar eens tegen te spreken.

Dat promovendi worden beschouwd als werknemers heeft een grond van rechtvaardigheid. Ze leveren, net zo goed als hun gepromoveerde collega’s, een volwaardige bijdrage aan de wetenschappelijke output en zichtbaarheid van hun universiteit in de vorm van publicaties en valorisatie van kennis. Bovendien draaien ze niet zelden mee in het onderwijsprogramma.

De nieuwe student-promovendi hoeven dat laatste niet meer te doen. Ze hoeven geen colleges te geven. Het idee is dat ze daardoor ook eerder klaar zijn met hun proefschrift.

Deze redenering miskent dat lesgeven fundamenteel is voor de ontwikkeling van de promovendus. Toen ik zelf promoveerde, heb ik erg veel geleerd van de colleges die ik zelf gaf. Bovendien ambieert de overgrote meerderheid van de promovendi een carrière in de wetenschap en voor een vaste aanstelling aan de universiteit is onderwijservaring onontbeerlijk.

Er wordt gevreesd dat door de toegenomen financiële druk steeds minder getalenteerde jonge wetenschappers ervoor zullen kiezen om te promoveren.

Volgens de voorzitter van de VSNU, Karl Dittrich, is dat onzin. „Mensen die promoveren zijn sterk gemotiveerd”, zegt hij. „Die kiezen niet voor het geld.”

Dat is een perverse redenering. Omdat promovendi zoveel passie hebben voor de wetenschap kunnen ze wel wat minder betaald worden.

Ten slotte is de uitvinding van de student-promovendus de oplossing van het verkeerde probleem. Je zou begrip kunnen opbrengen voor de maatregel als er structureel te weinig promovendi zouden zijn. Maar dat is niet het geval. Er zijn structureel te veel promovendi voor het aantal beschikbare banen aan de universiteit.

Het ware probleem is de doorstroming van jonge gepromoveerde onderzoekers naar een vaste aanstelling en een verdere carrière in de wetenschap.

Door de afstand tussen promovendi en werknemers te vergroten, wordt deze doorstroming alleen maar verder bemoeilijkt.