Górecki’s ‘Vierde symfonie’: fantasieloos minimalisme

De naam Henryk Górecki is voor altijd verbonden aan de Symfonie der klaagliederen (1976), vol gedragen tempi en welluidende melodieën. Ruim een miljoen exemplaren verkocht de fameuze opname met Dawn Upshaw in de jaren negentig.

Górecki wilde dit succes bewust nooit herhalen. Dat bewijst zijn onvoltooid gebleven Vierde symfonie, na zijn dood in 2010 voltooid door zoon Mikolaj en in de ZaterdagMatinee niet spatgelijk maar wel bevlogen in Nederlandse première gebracht door het Radio Filharmonisch Orkest en Reinbert de Leeuw.

De veertig minuten van de Vierde maken een schematische indruk. Genadeloos zijn bij aanvang de klappen op drie grote trommen, gecombineerd met een eindeloos motiefje dat door het orgel van extra dissonanten wordt voorzien. Zeer aangrijpend is daarna het zachte betoog in lage strijkers en klarinetten.

Maar dan volgt een monomaan herhaalde, hupsende koperfanfare waarin de fantasie ver te zoeken is. Na een minimalistische episode voor piano en solostrijkers keren uiteindelijk de brute slagen terug, eindigend in een totaal onverwacht majeurakkoord.

Na de pauze liet Sibelius in De bard horen hoe je met minimaal materiaal wél een coherent betoog kunt houden. En Sjostakovitsj’ Tweede celloconcert is een veel overtuigender synthese van het verhevene en het banale. Al was de onevenwichtige uitvoering met solist Jean-Guihen Queyras eerder flegmatisch afstandelijk dan Rostropovitsjiaans meeslepend.