Geschilderde verstilling

„Als ik een bekende naam op het naambordje zag, liep ik door”, vertelt Joost Zwagerman over zijn keuze. Hij legt uit hoe hij door een verborgen meester op ideeën kwam.

De dode trompetter (circa 1882-1883) van Anton Derkinderen. Olieverf op doek, 24,5×65 cm. Foto Olivier Middendorp

Helemaal toeval is het niet dat hij bij de Twee dode roeken (1907) stil bleef staan in het depot van het Gemeentemuseum in Den Haag, denkt Joost Zwagerman. De schilder, Floris Verster (1861-1927), kende hij nog niet. Maar de verstilling van de twee dode vogels, keurig naast elkaar neergelegd, sloot voor de schrijver prachtig aan bij zijn boek De Stilte Van Het Licht over, onder meer, de zoektocht van de moderne mens naar verstilling in kunst, dat hij in januari voltooit en dat in april uit zal komen.

„Twee werken van Verster raakten mede daardoor een snaar”, vertelt Zwagerman. „Ik ben, ijverig als ik ben, alles gaan opzoeken over Verster en stuitte op een themanummer van Kunstschrift over zijn leven en werk. Daarin schrijft hoofdredacteur Mariëtte Haveman dat veel musea wel werken van hem in bezit hebben, maar dat je moeite moet doen om ze te zien omdat ze in depot liggen. Zonde. Ik hoop Verster met deze tentoonstelling uit die depots te halen.”

Aan het eind van de negentiende eeuw was Verster een gevierd schilder, die tegelijkertijd met George Breitner en Isaac Israels de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag bezocht en later samen met schilders als Jan Toorop en James Ensor deel uitmaakte van een avant-gardistische schildersgroep. „Van extraverte en kleurige werken die mij aan Jan Sluijters doen denken – waar ik iets minder van houd – heeft hij een radicale omslag gemaakt naar verstilde werken”, zegt Zwagerman. „Napje met eieren (1906), het andere werk dat ik van Verster laat zien, lijkt een laatste stap naar abstractie. Even later komen andere schilders als Morandi met hun nog basalere stillevens.”

Twee keer een halve dag spendeerde Zwagerman met conservator Doede Hardeman in de depots van het Gemeentemuseum. Op zoek naar werken van dode dieren en mensen en naar stillevens die aansluiten bij de werken van Verster. Allemaal uit de periode van de tijd van Verster tot nu, maar wel van kunstenaars die bijna of helemaal vergeten zijn. „Als ik een bekende naam op het naambordje zag, liep ik door”, zegt Zwagerman. „Behalve van één beroemde schilder, maar die moeten bezoekers zelf in de zaal zien te vinden. Daar wil ik niets over verklappen.”

Zwagerman wil door de aaneenschakeling van stillevens en van dode dieren in zijn zaal een beeldgedicht maken, zoals hij dat vorig jaar ook in een eigen tentoonstelling in het Teylers Museum in Haarlem deed. Daar hing hij onder meer een hoogzwanger zelfportret van Marlene Dumas naast een ets van Rembrandt van een naakte vrouw met lubberende buik. Het is tentoonstellingsmaken in de door hem bewonderde manier van Rudi Fuchs. „Al kan ik natuurlijk niet meer dan eentiende van wat Fuchs kan.”

Zo heeft Zwagerman stillevens uitgezocht van Julie de Graag uit 1912 tot Dick Ket uit 1940 of Holger Niehaus uit 2004. Of heeft hij behalve Zes studies naar een dode zanglijster (circa 1880) van J.H. Weissenbruch een stervend paard van Charlotte Dumas uit 2003 uitgekozen. En zo koppelt hij het portret van De dode trompetter (1882-1883) van Anton Derkinderen aan een foto van een overleden drugsverslaafde in New York (1972) van Leonard Freed.

„Met mijn achtergrond als schrijver en dichter kan ik zo mijn verbeelding zijn gang laten gaan. Zo zie ik als ik naar de Dode Trompetter van Derkinderen kijk misschien wel een overleden Floris Verster liggen. Die kwam tragisch aan zijn einde. Zijn vrouw was gedeprimeerd en had zelfmoord gepleegd. Hij is uitgegleden en in Leiden in de singelgracht van zijn landhuis verdronken. Of hij dat expres heeft gedaan of niet, dat is nooit duidelijk geworden.”