Dode getuigen van een beruchte scheepsramp

Onderzoekers vonden resten van vier mogelijke opvarenden van de Batavia, die in 1629 bij Australië verging.

Muiter Cornelisz wordt met vijf van zijn mannen opgehangen op Long Island, een koraaleiland bij de westkust van Australië. Gravure uit ‘Ongeluckige Voyagie’ (1647).

Op Beacon Island, onderdeel van een koraalrif voor de westkust van Australië, zijn de resten gevonden van vier mensen. Het zijn mogelijk opvarenden van het schip Batavia van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, dat in juni 1629 op het rif voer en verging. Onder de overlevenden van de scheepsramp brak vervolgens een muiterij uit.

De vier lichamen zijn gevonden door een Australisch-Nederlands onderzoeksteam, onder wie Liesbeth Smits van de Universiteit van Amsterdam. Smits is gespecialiseerd in forensische archeologie, onderzoek aan oude begraafplaatsen. Aanwijzingen dat het hier gaat om opvarenden van de Batavia zijn onder meer vondsten in de omgeving, zoals musketkogels en koperen gespen, artefacten uit 17de-eeuws Europa. Het wrak van de Batavia was al in 1963 gevonden.

Het verhaal van de Batavia verscheen al in 1647 onder de titel Ongeluckige Voyagie, van’t Schip Batavia, Nae de Oost-Indien. Zo weten we dat het niet boterde tussen opperkoopman François Pelsaert en schipper Adriaan Jakobsz, die verantwoordelijk was voor een goede vaart, maar wel bevelen moest accepteren van Pelsaert. Als we dit verslag mogen geloven, broedden Jakobsz en enkele getrouwen tijdens de overtocht naar Indië op kaping van het schip, dat een rijke lading vervoerde.

Het is er niet van gekomen. In de vroege ochtend van 4 juni 1629 liep de ‘Batavia’ bij Beacon Island aan de grond. Van de naar schatting 341 opvarenden wisten de meeste met de sloep Beacon te bereiken; 40 personen verdronken. Pelsaert en Jakobsz besloten met een sloep en zo’n 40 man hulp te halen in Batavia, waar ze na 33 dagen varen aankwamen.

Intussen was onderkoopman Jeronimus Cornelisz, die eerder betrokken was geweest bij de kapingplannen, achtergebleven op Beacon. Hij en zijn kornuiten oefenden een schrikbewind uit onder de gestrande opvarenden. Zo’n 120 mensen zouden daarbij zijn omgebracht. Drie maanden na de stranding arriveerde een reddingschip en werd de opstand de kop ingedrukt. Van de 341 opvarenden van het gestrande schip kwamen er uiteindelijk 68 in Batavia aan.

Een deel van de romp en een groot deel van de inventaris van de Batavia zijn nu tentoongesteld in twee Australische musea. Archeologen en historici van de University of West Australia doen al enkele jaren onderzoek naar scheeprampen die in de 17de en 18de eeuw voorvielen in Australische wateren en proberen de rampverhalen te reconstrueren.

Liesbeth Smits van de UvA doet mee aan dit project. Tegen een voorlichter vertelde ze wat haar erin fascineert: „We weten wat er is gebeurd en dat is in de archeologie heel zeldzaam. De moorden op grote schaal en de executie door ophanging van de daders maken dit verhaal spectaculair. Het is waarschijnlijk de eerste Europese rechtspraak in Australië. Verder zijn twee van de jongste muiters, Wouter Loos en Jan Pelgrom, op het vasteland van Australië achtergelaten; zij worden beschouwd als de eerste blanken in Australië.”