Boeket uit de schatkamers van Collectie Nederland

Het spontaan opgewelde idee voor het De Wereld Draait Door Pop-Up Museum, om schatten uit museumdepots te tonen, sluit aan bij het streven van de minister van Cultuur, Jet Bussemaker, om het publiek meer te tonen van de Collectie Nederland. De komende weken tonen de tien tafelheren- en dames van het tv-programma verborgen schatten uit tien Nederlandse musea.

Het Allard Pierson Museum in Amsterdam is de komende weken gastheer van het DWDD Pop-Up Museum Foto Olivier Middendorp

Verborgen schatkamers zijn het, die depots van musea waarin de tafelheren en -dames van De Wereld Draait Door voor het pop-upmuseum mochten rondneuzen. NRC Handelsblad-journalisten mochten mee voor deze pop-upspecial. Die depots zijn verborgen voor het publiek en alleen met strenge veiligheidseisen toegankelijk. Ze zijn veelal gevestigd op geheime locaties in polders of andere afgelegen stukken Nederland, zonder naambordje bij poort of hek. U en ik mogen niet eens weten waar ze zijn.

Eenmaal binnen besef je tussen de oneindige rijen stellingkasten en schilderijenrekken pas hoeveel schatten er liggen in die depots van Nederlandse musea. Voor een museumbezoeker, die soms al overvoerd raakt door het aanbod in de museumzalen, is het nauwelijks te bevatten dat het slechts een kleine selectie is van een veelvoud van kunstwerken of objecten die nog elders liggen. Dat als je bijvoorbeeld door de zalen met wereldbollen loopt in het Scheepvaartmuseum een hele verzameling atlassen veilig opgeborgen ligt.

Vijf procent van de volledige Collectie Nederland is te zien in musea, becijferde de Raad voor Cultuur twee jaar geleden. Een heel beperkt deel dus. Maar denk ook eens na over dit getal: die Collectie Nederland omvat maar liefst 65 miljoen objecten. Die willen we niet eens allemaal zien: 37 miljoen daarvan zijn plantjes en beestjes die bij natuurhistorisch museum Naturalis liggen opgeslagen. Blijven er 28 miljoen over, waarvan we slechts een klein deel kunnen zien in de 442 geregistreerde musea. Soms ook terecht: veel kunstwerken en objecten zijn te kwetsbaar. Ze kunnen niet meer of slechts gedurende korte perioden aan onze adem en aan kunstlicht blootgesteld worden.

Maar er blijft veel moois en interessants over. Begin 2013 gooide de Raad voor Cultuur, adviesorgaan voor regering en parlement, een knuppel in het hoenderhok. Die Collectie Nederland moet meer zichtbaar worden, adviseerde de raad aan minister Jet Bussemaker van Cultuur. Daarbij helpt de versnippering van de Collectie Nederland niet. Meer regie zou nodig zijn om meer zichtbaar te maken aan het publiek, vond de raad.

Collectie Nederland klinkt als één grote verzameling, met één baas, één doel en één begroting. Zo simpel is het niet. Al die kunstwerken, archeologische vondsten, cultuur- en natuurhistorische objecten en ander erfgoed worden beheerd door tal van musea, erfgoedinstellingen, archieven. Ze zijn eigendom van het Rijk, maar ook van provincies en van gemeenten. Niemand is zo de baas. Eigenlijk is de Collectie Nederland een losse verzameling collecties.

Minister Bussemaker volgde echter niet dat advies voor meer centrale regie van de Raad voor Cultuur. Musea hadden zelf al in eigen rapporten aangegeven de noodzaak van meer samenwerking in te zien en daar stuurt zij dan ook op aan. Zij schreef in 2013 in haar Museumbrief dat zij de hindernissen voor bruikleenverkeer onderkent. Musea lenen soms niet graag uit aan musea die ze als concurrenten zien. Maar er zijn ook nogal eens problemen rond de kosten van verzekeringen en transport en zorgen over de kwaliteit. Die excuses mogen niet langer gelden, bruikleenverkeer is subsidievoorwaarde geworden.

Persberichten over het uitlenen van werken worden door musea steeds vaker verstuurd om de wereld kond te doen van de goede intenties. Ook een oproep van Bussemaker om veel meer van de collectie digitaal zichtbaar te maken is niet aan dovemansoren gericht. Musea waren daar al mee bezig. Denk alleen al aan de veelgeprezen Rijksstudio van het Rijksmuseum.

Musea zoeken ook andere mogelijkheden om meer van die schatten te ontsluiten, de voorbeelden worden spectaculairder. Het Boijmans Van Beuningen in Rotterdam wil midden in de stad een depotgebouw openen, dat tegelijkertijd als een extra museum zal functioneren. In Amsterdam opende vorig najaar Hollanders van de Gouden Eeuw in het pand van Hermitage aan de Amstel. Het Rijksmuseum en het Amsterdam Museum hebben talloze grote groepsportretten en schuttersstukken in hun depots, waarvan ze er maar een paar kwijt kunnen in hun zalen. Ze gunnen de Hermitage aan de Amstel nu tot eind 2016 zijn eigen Gouden Eeuwmuseum.

Bij De Wereld Draait Door kwam het idee voor een pop-upmuseum spontaan op, los van Haagse beleidsplannen. Maar de musea stonden te dringen om mee te werken. Tien musea doen nu mee, maar meer musea melden zich bij het televisieprogramma om mee te doen en gastconservatoren van DWDD te laten rondsnuffelen in hun depots. Dit is wat Bussemaker graag wil. Dit is ook waarom ze het pop-upmuseum toejuicht en het zelf wilde openen. Indirect met haar geld steunt het Mondriaan Fonds met een financiële bijdrage het project, waarvan de kosten worden gedragen door het ontvangende Allard Pierson Museum. Dat kwam het fonds op kritiek van kunstenaars te staan. Die stelden dat er zo minder geld beschikbaar zou zijn voor hen voor het scheppen van nieuw werk. Maar dat klopt niet. Het Mondriaan Fonds heeft juist van de minister een potje van 8 miljoen voor drie jaar gekregen om de samenwerking tussen musea te stimuleren.

Op de website van het Mondriaan Fonds legt directeur Birgit Donker uit waarom het als door de overheid gefinancierd fonds geld in het project stopt dat een initiatief is van een televisieprogramma van de publieke omroep: „Het laat doorgaans niet toegankelijke collectieonderdelen zien en zet verborgen kunstenaars op een voetstuk. Het bevordert samenwerking tussen musea op een zo belangrijk terrein als collecties”, schrijft ze. „En door de aandacht die De Wereld Draait Door eraan geeft, waarbij de tien musea en hun collecties in de schijnwerpers staan, wordt een groot en deels nieuw publiek aangesproken. Op basis van dit project zal het concept van de pop-upexpositie verder ontwikkeld worden, zodat het niet bij de vier maanden durende expositie hoeft te blijven.”

Het pop-upmuseum is zo niet alleen een spontaan verjaardagscadeau van een televisieprogramma, maar ook een experiment voor musea, tentoonstellingsmakers, financiers én beleidsmakers. Wordt dus ongetwijfeld vervolgd.