‘Al die schedels en zandlopers... Dit is gewoon Hamlet’

„Als hippiekind sta ik ver af van de calvinistische traditie waar de vanitas uit voortkomt”, zegt Halina Reijn. Toch kiest ze voor kunst over leven en dood, echt en nep. En de „levendige Van Gogh als contrast”.

Jan Lievens, Vanitasstilleven met boek, 1627. Olieverf op paneel, 59,5 x 97,2 cm. foto’s Museum De Fundatie

Een mistige zondag in december in Paasloo. Als Halina Reijn door de zware kluisdeur van de Kunstbunker is binnengelaten en de wenteltrap is opgelopen, stuit ze op een wand met schilderijen. Ze stormt op een kinderportret van Jan Toorop af en roept „die wil ik hebben”. Daarna bukt ze voor een portret van de 19de-eeuwse schilder Coba Ritsema van een vrouw met een katje op schoot. „Net een prinses. Ik houd, net als mijn zussen, heel erg van romantische schilderijen met prinsesjes.”

Dit is de Halina Reijn zoals ze zich profileerde bij de aankondiging van het pop-upmuseum in november: dochter van twee kunstenaars, die door haar jeugd een haat-liefdeverhouding heeft met kunst. Die vertelt dat ze „vanaf haar nulde meegesleept werd naar musea, maar ook liever naar ponypark Slagharen ging”.

Deze ochtend is het ook een fraai staaltje acteertalent. Ze weet dan al dat ze heel andere schilderijen in haar zaal van het pop-upmuseum zal tonen. Maar dat mogen een journaliste en een fotograaf van een regionaal dagblad niet weten die kort bij dit bezoek aan de Kunstbunker aanwezig zijn voor een reportage.

Halina Reijn is die ochtend met een taxi vanuit Amsterdam naar het dorpje in de Weerribben gekomen waar afgelegen aan het eind van een onverharde weg in een dampig dennenbosje naast een grote blusvijver de Kunstbunker ligt. Gebouwd in 1942 om zo’n 3.000 kunstwerken tegen oorlogsgeweld te beschermen. Het Huishouden van Jan Steen lag hier, het Straatje van Vermeer. Sinds 1994 is dit gebouw van metersdik gewapend beton het depot van Museum de Fundatie, dat er een deel van zijn collectie van de omstreden Boijmansdirecteur Dirk Hannema heeft opgeslagen. Hannema kocht veel onbekende werken waar hij de hand van een meester in vermoedde. Soms terecht, soms vervalsingen van bijvoorbeeld Han van Meegeren.

Terwijl een styliste met een haarkruller haar kapsel toonbaar maakt voor de filmploeg en de regionaal journaliste buiten moet wachten, heeft even eerder directeur Ralph Keuning van de Fundatie het verhaal van Hannema kort verteld in het keukentje bij de bunker. Voor zich heeft hij een boek opengeslagen op een pagina met een stilleven. Keuning vertelt dat dit stilleven voor onderzoek is bij het Rijksmuseum in Amsterdam. Het zou een Rembrandt kunnen zijn, of een werk van zijn Leidse tijdgenoot Jan Lievens van wie een stilleven in de Eregalerij van het Rijks hangt. Of misschien wel van de mysterieuze Torrentius, van wie maar één schilderij bewaard is gebleven. Zou het niet mooi zijn als bij opening van het pop-upmuseum als primeur bekendgemaakt wordt van wie welke meester het schilderij is?

Zo is in de collectie van Hannema in 2010 ook een Van Gogh ontdekt: De molen Le blute-fin uit 1886. De Fundatie heeft nog drie andere werken waarvan Hannema vermoedde dat het Van Goghs waren, maar die door het Van Goghmuseum niet als zodanig worden erkend. „Bij één twijfel ik daar nog aan”, zegt Keuning, „maar bij het Van Goghmuseum lachen ze me weg.” Reijn knikt: „Het onderscheid tussen nep en werkelijkheid, daar kan ik als actrice wel wat mee. Dat is een mooi thema.”

In het depot, als Keuning haar de Van Goghs toont, wijst Reijn op een schilderij van een vaas met bloemen die schuilgaat achter glas. „Dat is zeker het schilderij waarvan jij denkt dat het een Van Gogh is?”, vraagt ze Keuning. „Waarom hangen we ze niet allemaal op? Dan kunnen mensen zelf vergelijken.” Keuning reageert verheugd: „Ja, en het zou mooi zijn als een Van Goghexpert van ergens uit de wereld langskomt en zegt dat het wél een Van Gogh is.” Reijn lacht: „Het is jouw troetelschilderij, ik word daar graag voor gebruikt.”

Een etage hoger, tussen de talloze rekken blijft ze lang staan tussen 17de-eeuwse stillevens. „Dood en vergankelijkheid, met dat thema kan ik veel”, verzucht ze. „Dit gaat ook over mij: als vrouw van bijna 40 word ik overspoeld door een gevoel van vergankelijkheid”, zegt ze tussen de schilderijen met schedels, zandlopers en verwelkende bloemen. „Dit is gewoon Hamlet”, roept ze even later uit . „Veel toneel gaat over dood.” Maar verder dan deze opmerkingen komt ze niet, de meegereisde televisieploeg staat klaar met een camera.

Zelfmoord

Amsterdam, een maand later zit ze op een bank in een goodfood lunchroom. Over de vervalsingsthematiek kan ze kort zijn. „Bij het kijken naar die schilderijen gaat het om projectie en perceptie. Dat is mijn beroep. Er is een mooie tegenstelling. Voor zo’n schilderij maakt het veel uit of het echt is of niet, het wordt veel meer waard of het trekt veel meer bezoekers. In toneel is het omgekeerd: hoe meer ik vervals, hoe meer applaus ik krijg.”

Ze heeft diep nagedacht om een connectie te maken tussen de wand met echte en valse Van Goghs aan de ene kant en de stillevens aan de andere. „Ook daar zit een mooie tegenstelling in. Ik houd van de levenskracht van Van Gogh. Vooral van de schilderijen die hij heeft gemaakt terwijl hij in de kliniek zat. Die felle, intense kleuren waarmee hij zijn eigen waanzin probeerde te bestrijden. Waanzin en dood liggen dan dicht bij elkaar. Ik kan in het museum heel lang kijken naar die schilderijen, ik ben geobsedeerd door die periode waarin hij streed met zijn schizofrenie en zijn zelfmoordgedachten.”

Het ‘gedenk te sterven’ van de stillevens vormen het contrast. „Als hippiekind sta ik ver af van de calvinistische traditie waar de vanitas uit voortkomt. Ik ben opgevoed om het leven te omarmen, om me te ontwikkelen, om een individu te zijn”, zegt ze. „Maar tegelijkertijd heb ik een honger naar rituelen. Ik vind een stilleven troostrijk om naar te kijken. Een zakhorloge om me te herinneren dat de tijd verglijdt, het doodshoofd, de verwelkende bloemen. Het is confronterend, maar ik word er rustig van. Je moet de dood niet wegstoppen. In onze oppervlakkige samenleving gebeurt dat te veel”, zegt ze.

Door het overlijden van haar vader toen ze tien jaar oud was, is de dood als onderdeel van het leven nooit ver weg geweest. Het houdt haar nu weer meer bezig. „Het zal wel komen doordat ik tegen de veertig loop. Het besef dat het leven voor de helft voorbij is. De vraag of ik me wel of niet zal voortplanten, al lijkt erop dat het niet zal gebeuren. Wat betekent het als je je leven niet voortzet in een ander mens. Ga ik dan anders om met sterven? Ook merk ik dat ik rustiger word. Ik geniet nu meer van mijn werk met het idee het hoogste in mijn vak bereikt te hebben, maar stel ook de vraag wat ik nu verder moet. Er groeit een behoefte om iets over te dragen, iets na te laten. Zonder dat het per se een kind is.”

Chirurg

Ook als actrice wordt ze voortdurend met de dood geconfronteerd. „Ik heb vanaf mijn debuut als Ophelia in Hamlet al drie keer zelfmoord op toneel gepleegd. Ook als Hedda Gabler en in La Voix Humaine. Als actrice ontleed je als een chirurg wat iemand de dood indrijft. Daardoor sta je de dood toe in je leven. Toch komt hij nog steeds onverwachts als iemand echt zelfmoord pleegt.”

Ja, ze heeft zich wel eens afgevraagd of ze zelf tot zelfmoord gedreven kan worden. „Ik heb twee angsten: gek worden en zelfmoord plegen. Als ik helemaal alleen ben in een vreemde cultuur, als ik La Voix Humaine in Australië of China speel, en alleen ben op mijn hotelkamer, moet ik oppassen dat fictie en realiteit niet door elkaar lopen. Dan ga ik skypen met mijn zus, mijn moeder of met Carice.”

In haar rol als Maria Stuart, waarin ze in de laatste dagen van de koninginnenstrijd door haar halfzus Elizabeth ter dood wordt veroordeeld, heeft ze zich verdiept in de acceptatie van het sterven. „Het hele laatste bedrijf ga ik door het stervensritueel tot de onthoofding heen. Ik hoef het niet te spelen, het is oprecht. Ik had niet gedacht dat die scène mijzelf en veel publiek zo zou aangrijpen. Dat denkt dat het stuk over vrouwen en macht gaat, maar dan gaat het om de dood en de wijze waarop Maria Stuart de dood accepteert. Die ziet ze als iets positiefs. Tegen het idee dat de dood fijn zou zijn, moet ik me verzetten. Er zijn acteurs die zich goed van zo’n rol los kunnen maken. Ik kan dat niet.”

In een majestueuze jurk legt ze rekenschap voor haar leven af en schrijdt ze statig het schavot tegemoet. „Voor de repetities hebben wij een priester laten komen, die veel mensen naar hun einde heeft begeleid. Hij vertelde dat mensen zich zelden schreeuwend en trillend tegen de dood verzetten. Als de dood dichtbij komt zijn we daar rustig onder. Bij mijn sterven wil ik ook een priester aan mijn bed. Niet vanwege het geloof, maar voor de rituelen. Die zijn zo krachtig.”

Maar of het echt tot acceptatie leidt? „Het feit dat wij sterven is zo absurd. Het maakt het leven een belachelijke bezigheid.”