Column

Zieko

Zat woensdag in een Amsterdamse taxi en nam met de chauffeur Ajax door. Volgens hem gaat het kut. En niet sinds een maand, maar al zeker twee seizoenen. Ze werden vorig jaar nog kampioen omdat de rest nog slechter was. Vijftigduizend supporters zitten al twee jaar om de veertien dagen in de Amsterdamse Arena naar impotente snurkpotjes te koekeloeren. Dat moest ik in Carré eens flikken. Je moet het thuis wel heel saai hebben als je hier elke veertien dagen naar toe wil.

Of ik wel eens goed naar Dennis Bergkamp heb gekeken? Hoe chagrijnig die naast Frank de Boer op de bank zit. Daarin zie je heel Ajax samengevat. Alleen financieel gaat het goed. Overmars en consorten vullen hun overvolle zakken met moddervette bonussen. Vroeger kochten ze voor dat geld een goede spits omdat ze een voetbalclub waren en geen beursgenoteerd handelshuis. Nu graaien ze als bankiers de ruif leeg. De chauffeur was verrast dat ze nog een sponsor hadden kunnen vinden. Ziggo. Wordt bij hem in het vak al Zieko genoemd. Doodzieko zelfs. Ze kunnen beter met Blokker of V&D op hun buik gaan lopen. Soort zoekt soort.

Of ik wist hoeveel de keeper van Go Ahead voor die blunder van afgelopen zondag heeft gevangen van de gokchinezen? Volgens de keeper zelf kon hij er niks aan doen. Zijn bedlegerige schoonmoeder had die bal nog tegengehouden. Of hij heeft de hoofdprijs gevangen of het was uit medelijden met zijn oud-ploeggenoten. Hij verloste ze uit hun lijden.

Na deze plechtig uitgesproken woorden was ik helaas op mijn bestemming. Thuis om precies te zijn. Jammer. Had nog graag een uurtje bij de mokkende man in de auto gezeten. Bij het afrekenen keek hij me bedroefd aan. Of ik wist waarom de ballenbak van de Ikea naast de Arena gevuld was met voetballen? Die vonden ze na elke training op het parkeerterrein. Stuk of veertig per dag. Allemaal afzwaaiers. Nee, hij wilde geen fooi. Geef maar aan mijn cluppie. Kunnen ze weer lekker gaan trainen in Qatar.

Tot slot zei hij dat ik wel uit moest kijken want je wordt tegenwoordig zo neergeknald in ons dorp. We zitten nu op een gemiddelde van een dooie per dag. Die criminelen schieten trouwens beter raak dan Sigthorsson.

Wat word ik toch vrolijk van dit soort ritjes. De waarheid over je noodlijdende voetbalclubje in een vijftal kilometers voorgeschoteld krijgen.

Met een grote glimlach pakte ik de krant en werd nog vrolijker toen ik las dat een berucht Limburgs Kamerlid, een vriendje van Jos van Rey en Pietje van Pol, de boel voor duizenden euro’s genaaid had. Sjoemelboemel met de dienstauto en schrijven met een vork als het op declareren aankwam. Het meest aandoenlijk in het verhaal was een etentje in Amsterdam met wijnen van over de honderd euro per fles dat in eerste instantie werd afgerekend door de miljonair Pietje van Pol, die later toch wilde dat het corrupte Kamerlid een deel declareerde. Kleine provinciekrabbelaars.

Of Jos van Rey ook aan die tafel zat? Ja, Jos van Rey zat zeker aan die tafel. Dit weekend is het carnaval en zet dit maffiose clubje politici hun maskers af in plaats van op! Niemand herkent ze in de polonaise waarin het corrupte Kamerlid ongetwijfeld wordt gebeld door zijn collega René Leegte, die vanuit een volle trein schreeuwt dat het corrupte Kamerlid het heel goed gedaan heeft en dat hij zich niets moet aantrekken van de bakken stront die hij de komende weken over zich heen krijgt. Dat ruikt juist lekker.

Dat is de vertrouwde nestgeur van de VVD. Vroeger heette dat bekakt.

En ik lachte vrolijk verder. Zeker toen ik een interview in de Vara-gids las met een schrijver die bloedserieus over zijn boek zegt: „Ik heb gewoon een heel vlotte stijl, beter dan de meeste schrijvers. Dat weet ik. Harry Mulisch heeft het me gezegd nadat ik hem het manuscript had gegeven. Hij zei ‘niets aan veranderen’, het was een van de beste boeken die hij ooit had gelezen.”

Welke schrijver dit zegt? Dries Roelvink over zijn boek Toverballen! Het boek heet zo omdat Dries van die goed gelukte kinderen heeft verwekt.

Zacht sloeg ik de gids dicht, zette mij voor het raam en kreeg een onbedaarlijke lachbui die maar niet wilde stoppen. Zeker niet toen ik in de verte Maarten van Rossem met twee demente familieleden en een cameraploeg door de stad zag scharrelen. Wat een leven.