Wie poen heeft, duikt op de kunst

Joyce Roodnat

Over wat kunst waard is. Paul Gauguin. Jeff Koons. Tino Sehgal. Aukje Dekker.

Niemand denkt er meer aan, maar anderhalve week geleden was het wereldnieuws: de verkoop van het schilderij ‘Nafea Faa Ipoipo’ (Met wie zul je trouwen?) waarmee Paul Gauguin in 1892 twee Tahitiaanse meisjes afbeeldde. Hij zette ze zo in vuur en gloed, dat je die gloed ook in zijn lendenen vermoedt. Alleen al dat vele oranje is een studie waard. Maar daar gaat dit niet om. Dit gaat om geld. Veel geld.

Het schilderij bracht bij Sotheby’s 300 miljoen dollar op. De inflatie buiten beschouwing gelaten is het nu „het duurste schilderij ooit” (een anglicisme, maar zo heet het helaas, want dan past het in een nieuwskop). Het versloeg ‘De kaartspelers’ (1893) van Paul Cézanne, titelhouder sinds 2011, dat toen voor 250 miljoen dollar van de hand ging.

Is Gauguins doek beter dan dat van Cézanne? Nee. Dit is geen wedstrijd tussen schilderijen, maar tussen de betalers van kunst. De waarde van de schilderijen is onschatbaar, hun belang is zo groot dat ik me afvraag wat ze in privébezit doen. Ze werden niet voor de kluis geschilderd, maar om door iedereen bekeken te worden, met hersens die vol honing lopen en ogen die hen willen zoenen.

Dat vond de eigenaar van de Gauguin eigenlijk ook. Hij erfde het doek en gaf het in bruikleen aan het Kunstmuseum in Basel. Vond dat het onvoldoende te zien was. Werd boos. Trok het bruikleen in en nam het schilderij terug. Veilde het, vermoedelijk aan de koninklijke familie van Qatar (zeker is dat niet, zij houden hun kunstaankopen geheim). Die eigenaar zag het goud blinken en incasseerde. Dat is zijn recht, maar hij moet niet met vrome praatjes aankomen. ‘Nafea Faa Ipoipo’ is onzichtbaarder geworden dan het in Basel ooit geweest is.

Kunstvertoon is machtsvertoon. In het verleden werd daar niet schijnheilig over gedaan. Mecenassen waren edellieden die via de kunsten, en liefst met een beroemde kunstenaar in hun entourage, hun goede smaak en rijkdom etaleerden. Leonardo da Vinci was een tijdlang van de hertog van Milaan. Antonie van Dijck was van de koning van Engeland. Hun werk ook.

Nu is dat niet veel anders. Wie poen heeft, eigent zich kunst toe. Niet om het te laten zien, maar om het te laten weten. Maar kunstenaars zien altijd mogelijkheden. Die baseren weer kunst op dat artistieke winstbejag. Wie reageert er het doeltreffendst op betaal- en praalzucht? Damien Hirst met zijn diamanten schedel ‘For the Love of God’? Of toch Jeff Koons?

Koons, vindt Tino Sehgal. Het Stedelijk Museum programmeert dit jaar Sehgals werk, met elke maand een andere live action uit zijn oeuvre. In februari is dat ‘This is good’, uit 2001. De toegang tot de zaal heeft Sehgal zo’n beetje versperd met een vitrine. Daarin ligt een schuldbekentenis, in 1919 uitgeschreven op Wall Street, die Marcel Duchamp in 1949 ondertekende en dusdoende tot kunstwerk promoveerde. Er zijn ook twee grote werken van Jeff Koons. Heel provocerend, want heel kitsch en heel duur. De aanschaf van het ene, ‘Ushering in Banality’, smalend ‘de big van Beeren’ genoemd, leidde in 1989 zo ongeveer tot een volksopstand. Ik herinner me schuimbekkend commentaar in tv-shows. Inmiddels is het beeld veel meer waard dan de 250.000 gulden die het Stedelijk ervoor betaalde.

In Sehgals installatie hoort een suppoost, in uniform. Komt er iemand binnen dan molenwiekt hij met zijn armen en zegt opgewekt: „This is good”. Op het uur dat ik er ben, wordt de suppoost vertolkt door Jozef van der Heijden, een Nederlandse videokunstenaar. Hij zit nu even zonder inkomsten, vandaar deze bijbaan. Die hem geld oplevert – en gelegenheid tot het maken van nieuwe kunst.

Post. Een zware enveloppe van de Nederlandse kunstenaar Aukje Dekker. Zij is altijd bezig met de waarde van kunst, ze richtte bijvoorbeeld de ruimte van haar galerie enige tijd in als hotelkamer. De toeristen die hem boekten, werden deel van haar kunstwerk.

In de enveloppe zit een offerte. Voor haar project ‘Stick or Twist’ zoekt ze 20 mensen die 150 euro inleggen. Elk van hen wordt eigenaar van een van 20 doeken die zij zal beschilderen. De geldschieters mogen op gezette tijden besluiten of hun schilderij klaar is. Zo niet dan schildert Dekker verder, tegen een nieuwe inleg, telkens verhoogd met 50 euro. Ik bel haar op. Ze heeft haar twintig kopers al. En ja, het zou kunnen dat ze haar hele leven door moet schilderen omdat een eigenaar blijft inleggen. O, help.