Wie draait er aan de gaskraan?

De bodemschatten in Groningen hebben de welvaart een fikse zet gegeven. Maar nu beeft de Groningse grond. Hoeveel gas sinds 1963 is opgepompt, bepaalden de mannen van ‘het Nederlandse gasgebouw’.

Het klinkt als een geheimzinnig genootschap: de mannen van het Nederlandse gasgebouw.

Jarenlang hebben ze bijna onopgemerkt het Nederlandse aardgas gewonnen en verkocht, maar sinds de Groningse aarde begon te schudden, zijn ze in een kwaad daglicht komen te staan.

In een uitgelekte passage spreekt de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) van „een besloten en gesloten stelsel” dat onvoldoende oog heeft gehad voor de veiligheid van de burgers bij de gaswinning in Groningen.

De besluitvorming over hoeveel gas er wordt gewonnen is in handen van „minder dan tien mensen” zegt het rapport in een andere passage, die de bewoners van het aardbevingsgebied – die dagelijks nieuwe scheuren in de muren zien trekken – ook al niet erg veel vertrouwen inboezemt.

Het rapport van de OVV wordt woensdag openbaar gemaakt. Dan zal iedereen zich kunnen verbazen over het feit dat de beweging van de bodem als gevolg van gaswinning inderdaad nooit prioriteit heeft gehad.

Vrees voor concurrentie kernenergie

Dat was ook helemaal geen issue toen de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) eind jaren vijftig bij Slochteren een enorme gasbel ontdekte. Dat de Nederlandse modder ooit in beweging zou kunnen komen, konden weinigen zich voorstellen. Aardbevingen waren iets voor vergelegen rotsachtige oorden als Sicilië en Skopje.

Bovendien was Nederland net begonnen aan de welvaart te ruiken. Het land werd gemoderniseerd. Nieuwe wijken met doorzonwoningen en galerijflats moesten een einde maken aan de woningnood. In bijna elke huiskamer kwam een televisie te staan. Wastobbes werden vervangen door wasmachines. En de kolenkachel door de centrale gasverwarming.

Het gas werd in eerste instantie vooral gezien als middel om de welvaart een extra zet te geven. De bodemschat moest zo snel mogelijk en zo goed mogelijk te gelde worden gemaakt. De politiek was er toen van overtuigd dat het gas voor het einde van de eeuw zou worden weggeconcurreerd door kernenergie.

Miljarden voor de schatkist

Het gasgebouw dat in 1963 werd opgericht door minister Jan Willem de Pous (Economische Zaken, CHU) moest alle mogelijke belanghebbenden een aandeel geven.

Wat ook toen al niet simpel was in het sterk verzuilde politieke landschap. Dat Shell en Esso (later ExxonMobil) het gas zouden gaan winnen lag voor de hand. Zij vormden immers de NAM, die het gas had ontdekt en een winningsvergunning had aangevraagd. Maar wie het gas mocht gaan verkopen, aan wie en tegen welke prijs was lastiger. En vooral ook de vraag welk deel van de opbrengst naar de Nederlandse staat zou gaan.

De hoofdrolspelers waren toen, zoals gezegd, Shell en Esso. Maar ook De Staatsmijnen speelden een rol – de steenkolenproducent wilde een oogje op de energieconcurrentie houden – evenals de provincie Groningen en de rijksoverheid. En natuurlijk de politieke partijen, die met name verschillend dachten over de rol van de overheid.

Het gasgebouw werd na veel achterkamertjesoverleg in 1963 op twee pijlers gebouwd: een onderdeel dat zich bezighield met het gastransport en de verkoop (toen de Gasunie, sinds de liberalisering ruim tien jaar geleden GasTerra) en een onderdeel dat zich bezighield met de exploitatie van het Groningenveld: de Maatschap Groningen, die bestaat uit de NAM en Energiebeheer Nederland (EBN, de opvolger van De Staatsmijnen). EBN is voor honderd procent een staatsdeelneming.

De belangrijkste ‘kamer’ in het gebouw – en nu wordt het echt ingewikkeld – wordt gevormd door een ‘personele unie’ waarin de hoofdrolspelers van beide pijlers zijn samengebracht: de bazen van Shell Nederland, ExxonMobil Benelux, vertegenwoordigers van EBN en een topambtenaar van Economische Zaken. Samen met ambtenaren van het ministerie van Financiën en de baas van GasTerra vormen zij „het handjevol mensen dat de besluiten neemt” waar dezer dagen vaak naar wordt verwezen.

Aad Correljé, als energiedeskundige verbonden aan de TU Delft, noemt het gasgebouw zoals dat met een aantal aanpassingen sindsdien vorm heeft gekregen, niet zozeer duister als wel „complex”. Maar hij stelt wel dat het gebouw al die jaren stabiel heeft gewerkt en heeft gedaan waarvoor het was ingericht: het winnen van gas uit de Nederlandse bodem en het genereren van geld voor de Nederlandse schatkist.

Minister Kamp (Economische Zaken, VVD) rekende de Tweede Kamer onlangs voor dat 90 procent van de inkomsten uit de verkoop van het Groningse gas aan de staat toekomen. Shell en ExxonMobil strijken samen 10 procent op. In 2013, het laatste jaar waarover werd gerapporteerd, was dat 1,3 miljard euro voor de oliemaatschappijen, en 11,9 miljard voor de schatkist.

Staatsdeelneming EBN onder vuur

Correljé ziet dan ook geen reden om het gasgebouw meteen af te breken. Al ziet hij – los van de veiligheidsdiscussie – wel een nieuwe discussie rond gas ontstaan. De feeststemming van de jaren zestig heeft plaatsgemaakt voor nieuwe vragen. Moeten we wel doorgaan met fossiele brandstoffen die CO2 uitstoten? Maken de geopolitieke ontwikkelingen rond Rusland de afhankelijkheid van gas niet minder gewenst?

Het gasgebouw zal niet tegen de grond gaan, maar het zal wel worden aangepast om veiligheidsbelangen beter te behartigen. Los van het toezicht ligt met name de rol van de staatsdeelneming EBN onder vuur.

Een team van topambtenaren dat de werking van het gasgebouw in opdracht van de minister heeft uitgeplozen, stelt dat EBN zich te veel op het zakelijke deel van de onderneming heeft gericht en te weinig oog heeft gehad voor het feit „dat zij een beleidsdeelneming is en een instrument voor de uitvoering van overheidsbeleid”. Een ruimere opvatting over de aard van de publieke belangen rond gaswinning zou ook de veiligheid ten goede moeten komen.

Minister Kamp wil het antwoord op alle vragen van dit moment – ook de aanpassing van het gasgebouw – onderbrengen in een alomvattende energievisie. Energierapport 2015, zoals het document gaat heten, gaat over gaswinning, leveringszekerheid, gasgebouw, Europese energiemarkt, energieakkoord, overgang naar een volledig duurzame energiehuishouding en alles wat daarmee samenhangt. Maar we moeten nog wel even geduld hebben: het rapport komt pas aan het einde van dit jaar.