Whiskey on the rocks, maar dan met graniet

fotodienst nrc

Op nog geen 25 km van de Nederlandse grens ligt een dichtbebost veengebied dat hier en daar wel 600 meter boven zeeniveau steekt. Ooit was het zo’n godverlaten streek dat alleen houthakkers zich er wagen wilden. Van de nietsvermoedende reizigers die de bossen in trokken werd zelden meer iets vernomen. Soms vond men, jaren later, wat gebleekte beenderen terug, maar het merendeel loste altijd op in het zure veenvocht.

In dit gebied was het de afgelopen weken volop winter en misschien is dat nog steeds wel zo. Bekijk het op de webcam van Mont Rigi en kijk dan gelijk naar de snowcam van de lokatie. De ‘actuele sneeuwhoogte’ was donderdag nog 20 cm. Een week eerder was-ie 40 cm en verderop in het veen lag de sneeuw zeker 50 cm hoog. Kniediep heet dat en zo voelde het ook.

Heel koud was het er niet, het vroor ’s nachts een graad of vier. Onder de dikke sneeuwlaag was de veenbodem zacht en zompig gebleven, de laarzen persten het vocht moeiteloos tevoorschijn. Een groot verschil met 2012 toen het min twintig werd en de bodem in een soort rotsplateau was veranderd. Toen was kamperen geen pretje geweest, de haringen wilden de grond niet in en ’s nachts drong de kilte van het harde veen dwars door twee slaapmatjes het lichaam binnen. Het is hier indringend beschreven.

Het raadsel is dat het dit jaar helemaal niet beter was. De matjes waren dikker, de bodem minder koud en toch trok halverwege de nacht weer die ijselijke kou de heup in. Het leidde tot gepeins over warmteopslag en warmtetransport en het voornemen de kwestie ooit eens proefondervindelijk te onderzoeken. Misschien klopt het.

Deze week werd opeens wat meer duidelijk over de mogelijke aanpak. Het AW-labo had van mevrouw Yanthe C. een partij whisky-steentjes cadeau gekregen. C. was bezweken voor het verkooppraatje dat je dankzij de steentjes nu eindelijk whisky kon koelen zonder die tegelijk te verdunnen maar zag zich daarvan, nu zij als VN-employé naar Pakistan werd uitgezonden, geen dagelijks gebruik meer maken. Ze wilde van de steentjes af. Zodoende.

Whiskysteentjes (whisky stones) zijn in hun gangbaarste uitvoering een soort dobbelstenen van graniet. De bedoeling is dat je ze in het vriesvak van de koelkast ijskoud laat worden en daarna toepast in whisky etcetera. Twee of drie steentjes, dat is het idee. Op internet is het in duizendvoud te zien, ook bijvoorbeeld op de site donotbuythis.com.

Het staat wel vast dat de mooie grijsblauwe steentjes echt van graniet zijn. Zes steentjes samen bleken 120 gram te wegen. In een maatcilinder wisten ze 45 ml water te verdringen. Dat brengt hun dichtheid (‘soortelijk gewicht’) op 2,67 gram per ml, een waarde die precies ligt tussen de marges (2,6–2,7) die voor graniet worden opgegeven.

Een verkennend proefje met Hartevelt-jenever van kamertemperatuur zag er niet slecht uit. De jenever werd door een paar van die ijskoude steentjes binnen de minuut op 14,5 graden gebracht. De vraag is natuurlijk wat een of twee blokjes ijs hadden gedaan.

Maar ook de tabellen gaven het graniet een redelijke kans. De soortelijke warmte van graniet is met 0,82 joule per gram per graad weliswaar lager dan die van ijs (2,2), maar als je de soortelijke warmte uitrekent op basis van volume komt graniet er met 2,2 joule per ml per graad juist beter uit dan ijs (2,0). En een vergelijking op basis van volume ligt in dit geval voor de hand. Wat maakt het nu uit hoe zwaar die steentjes zijn. (De soortelijk warmte van een stof is de hoeveelheid warmte die nodig is om één gram één graad te verwarmen.)

De tocht door de tabellen bracht nog een ander getal boven water: dat van de smeltwarmte van ijs waarvoor een waarde van 334 joule per gram wordt opgegeven. Het is de hoeveelheid joules die wordt opgenomen als één gram ijs in water verandert. Het is een forse hoeveelheid, maar je weet natuurlijk vooraf nooit hoeveel ijs er smelten zal.

Daarom is de proef op de som genomen. Twee Duralex-glazen zijn gevuld met 150 ml water van 10 graden Celsius. Daarna werden aan het ene glas zes granietblokjes toegevoegd en aan het andere een gelijk volume ijs (dat 41 gram woog). Graniet- en ijsblokjes kwamen uit een vriesvak waarvan de temperatuur varieerde tussen min 12 en min 22 graden. Misschien hadden ze een temperatuur van min 15 graden? ’t Viel moeilijk na te gaan.

Toch waren de uitkomsten duidelijk genoeg. Het graniet maakte het water niet kouder dan 7,5 graad, redelijk in overeenstemming met de theorie. Het ijs had het water na vijf minuten op 2 graden gebracht. Toen bleek de helft, dus ongeveer 20 gram, gesmolten te zijn. Alleen voor dat smelten waren al 6680 joules gebruikt, vier keer zoveel als de lage temperatuur van de ijsblokjes had bijgedragen.

De stille, kille kracht van de ijsblokjes komt dus niet van hun lage temperatuur maar van hun smelten – juist van het smelten: de faseovergang. Graniet kan daar niet aan tippen, en ook marmer en basalt niet, hoewel die au fond betere kaarten hebben dan graniet.

Maar dit staat vast: de granietsteentjes zijn heel mooi, ze voelen altijd wonderlijk koel aan en liggen lekker in de hand. Laten we het zo zeggen: ze zijn cool.