Van tentenkamp naar WK cricket

De opmerkelijke opmars van de Afghaanse nationale ploeg begon in de vluchtelingenkampen in Pakistan

Afghanistan oefende deze week nog tegen India in voorbereiding voor het WK. Rechts Afsar Khan Zazai van het Afghaanse team. Komende woensdag speelt de ploeg het eerste duel tegen Bangladesh. Foto THEO KARANIKOS/AFP

Peshawar, 1998. Op een dor, zanderig veldje tussen de tentjes in Nasir Bagh, een immens vluchtelingenkamp voor tachtigduizend Afghanen, spelen jochies in de hitte met een tennisbal en een cricketbat – de toppen van het Afghaanse Hindukush-gebergte op de achtergrond. Heel Pakistan speelt cricket, dus ook de Afghanen die aan deze kant van de Khyber-pas zijn neergestreken in talloze vluchtelingenkampen.

Bijna twee decennia later debuteert de nationale ploeg van Afghanistan op het WK cricket in Nieuw Zeeland en Australië, dat zaterdag begint. Het team dat woensdag in Canberra speelt tegen Bangladesh telt nog altijd spelers die opgroeiden in de kampen rond Peshawar.

Aanvoerder Mohammad Nabi (30) werd er zelfs geboren. Hij hoopt zijn landgenoten eindelijk iets opbeurends te kunnen geven. „Op het nieuws zie je dat er nog overal in Afghanistan wordt gevochten”, zei hij afgelopen weekeinde in Adelaide. „Als er wat positief nieuws is, zoals Afghanistan dat meedoet aan het WK cricket, dan zal dat de sfeer thuis totaal veranderen, net als in de rest van de wereld.”

De opmerkelijke opmars van de Afghaanse cricketploeg, van een ongeregelde troep amateurs tot een team dat aansluit bij de wereldtop, is het verhaal van ultieme volharding. Zonder geld, zonder fatsoenlijke faciliteiten, in een grotendeels verwoest land, altijd met die uitzichtloze burgeroorlog op de achtergrond . „We hadden geen geld, geen cricketkleding, geen bats, helemaal niks”, zei bowler Hamid Hassan deze week tegen NBC. „Toen we voor het eerst in het buitenland gingen spelen moest ik geld lenen bij mijn familie.”

Cricket hoorde niet bij de cultuur van Afghanistan, dat nooit onderdeel was van het Britse rijk: de Afghanen waren vooral sterke ruiters die buzkashi speelden, ‘geittrekken’, een eeuwenoud polospel waarbij groepen ruiters het karkas van een dode geit over een lijn proberen te sleuren.

Onder het bewind van de Talibaan lag cricket destijds sowieso lastig. Vrijwel alle culturele uitingen waren verboden, dus ook sport. Het nationale stadion in Kabul werd vooral gebruikt voor executies. Cricket werd oogluikend toegestaan, mede om de Pakistaanse bloedbroeders te vriend te houden. En de sport werd niet, zoals voetbal, gespeeld in korte broeken.

Pas na de val van de Talibaan in 2001 kwam cricket van de grond. Er werd een nationale ploeg opgericht die speelde in Pakistan, India en Engeland. De lange weg naar het WK begon in 2008 in de vijfde divisie van de World Cricket League, op Jersey. Na een verblijf van veertig dagen in Mekka, voor de hadj, promoveerde Afghanistan dat jaar twee keer, via kwalificatietoernooien in Tanzania en Argentinië.

De eindronde van het WK was vier jaar geleden nog iets te hoog gegrepen, deze keer is Afghanistan wel van de partij. Daarmee passeerden de Afghanen onder meer Nederland, dat er in 2011 nog wel bij was, in Zuid-Azië. „Voor Afghanistan is het een droom om voor het eerst aanwezig te zijn op het grootste crickettoernooi ter wereld”, zei aanvoerder Nabi in Adelaide.

De internationals zijn meestal in het buitenland, maar in Afghanistan zijn ze inmiddels helden. De sport steekt in populariteit zelfs het voetbal naar de kroon. Geld komt vooral uit het buitenland, van de internationale cricketfederatie (ICC), maar ook de Britse ambassade in Kabul en de Indiase regering, die vorig jaar één miljoen dollar uittrok voor een cricketstadion in Kandahar.

Ondertussen werkt de Afghaanse cricketbond zo goed en zo kwaad als dat gaat aan het optuigen van de sport aan de basis, met clubs en velden. Maar makkelijk is het niet: op straat leren kinderen het spel op stoffige veldjes en betonnen pitches, of tussen de ruïnes van kapot geschoten gebouwen. In veel gebieden is het te onveilig om de sport te spelen. Ook voor de nationale ploeg is het oorlogsgeweld nooit ver weg, al speelt Afghanistan zijn thuiswedstrijden om veiligheidsredenen in het buitenland. Meestal in het emiraat Sharjah. In augustus 2008 werd international Rahmat Wali gedood bij een aanval op zijn woning.

En anderhalf jaar geleden kreeg captain Mohammad Nabi de schrik van zijn leven toen hij vanuit Jalalabad naar Kabul wilde rijden voor een training met de nationale ploeg, toen hij in de buitenwijken de auto van zijn vader langs de kant van de weg zag staan. Hij was ontvoerd door een bende die twee miljoen dollar losgeld eiste.

Zijn vader werd weken later bevrijd, maar de spelers blijven op hun hoede. Toen de ploeg vorig jaar feestelijk werd ontvangen in Kabul na een verrassende zege op Bangladesh, was Nabi als de dood voor een aanslag, vertelde hij onlangs.

Afghanistan zal op 29 maart niet in de WK-finale staan, in Melbourne. Daarvoor zijn landen als Zuid-Afrika, Australië, Nieuw Zeeland, India en Sri Lanka te sterk. Maar Afghanistan hoopt op een stuntje, wellicht een plek bij de beste acht. In de groepsfase zijn er zeker kansen, denkt Nabi. „Als we Bangladesh en Schotland verslaan, kunnen we misschien van een van de grote landen winnen. Dan halen we misschien de tweede ronde.”

Optimistisch? Het Afghaanse cricket heeft meer wonderen verricht.