Column

Sukkel

Georgina Verbaan

Er is op mij gespuugd. Zomaar. Ik liep met mijn boodschappen op zo’n achthonderddertig centimeter van mijn huis, toen ik in mijn linkerooghoek iets wits op mij af zag komen. Ik stopte. Ah, nee he? Vogelpoep, dacht ik. Ik keek naar mijn lelijke, groene maar warme jas. Witte strepen slijm met belletjes strekten zich over mijn borstkas en de linkerzak van mijn jas.

Ik slikte een halfverteerde appel terug en zette mijn boodschappentas neer. Hij stond er stom bij. Er stak een plasticje met voorgekookte aardappelschijven uit. De klodders op mijn jas hadden een stevig voorkomen. Spuug met slijm. Ik keek omhoog. Op driehoog dook een manspersoon schielijk achter het gordijn van een openstaand raam. Wel godverrredomme.

In het Engels schreeuwde ik hem wat obsceniteiten toe. In dat huis zitten namelijk altijd dove toeristen. Of ze zetten de muziek voor de lol zo hard, dat kan natuurlijk ook. Een jaar geleden zat er nog een bed & breakfast, gerund door een Amerikaan die de toko volgestouwd had met gezellige rommeltjes en het pand met Pasen, Kerst en Halloween vakkundig uitdoste. Maar hij verkocht het en nu zit er plakplastic op de ramen en is alles kotsproof ingericht voor benevelde Engelsen en Italianen.

Ik stond nog steeds verbouwereerd naar boven te schreeuwen en riep dingen als ‘filthy fuck’ en dat hij maar eens naar beneden moest komen als hij durfde. Mijn armen hield ik als een bodybuilder van mijn lijf af. Niet om indruk te maken, maar om te voorkomen dat de klodders zich zouden verspreiden.

„Ja hoor, fittie!” klonk het in onvervalst Purmerends achter me. Ik draaide me om en keek in het stonede smoeltje van een soort Britt Dekker 2.0. Ze had twee grijnzende jochies bij zich met streepjes als ogen. „Er is op mij gespuugd”, zei ik vol ongeloof tegen de tieners. Ik voelde me oud, in mijn lelijke

groene jas, met mijn stomme boodschappentas.

„So gatver, da’s ook nie netjas!”

„Nee, dat is zeker niet netjes!” knauwde ik. Ik klonk als een oude heks. Ik werd nog bozer en ben aan gaan bellen, en kloppen en duwen, en bellen, en kloppen. Ik dacht eraan dat ik me op het punt in de tijd bevond dat later in de rechtszaal opgevoerd zou worden als zijnde het moment waarop ik had kunnen besluiten weg te lopen in plaats van iemand te doden met een willekeurig voorwerp dat toevallig voorhanden was. Zoals een pakje aardappelschijfjes.

Dus ging ik naar huis met mijn boodschappen. Daar heb ik nog een half uur geprobeerd een gevat briefje in het Engels op te stellen over hoe onbeleefd het is om je DNA en bacteriën op iemand af te vuren zonder je even voor te stellen, maar grappig werd het niet. Wat ben ik toch een sukkel.