Sterren falen op Berlinale

Films van vermaarde filmmakers vielen tegen op de Berlinale. Opkomende filmmakers deden het juist uitzonderlijk goed.

Foto REUTERS/ Fabrizio Bensch

Wat heb je nodig voor een geslaagde editie van een groot internationaal filmfestival? Een paar goede films van de grote namen, twee of drie opkomende filmauteurs die met nieuw werk hun reputatie bevestigen en verder uitbouwen, en als even het kan ook nog enkele opmerkelijke debuutfilms, die als echte ontdekkingen kunnen gelden. Hoe verliep gemeten naar die drie criteria in de afgelopen tien dagen de jongste editie van het filmfestival van Berlijn, waar vanavond de Gouden Beer voor de beste film wordt uitgereikt?

Als het gaat om de grote filmmakers die eigenlijk vaste waarden zouden moeten zijn op een festival was Berlijn ronduit een sof.

De erkende meesters kwamen vrijwel zonder uitzondering met zwak en teleurstellend werk. Wim Wenders gebruikte de nieuwe, digitale 3D-techniek voor een origineel doel in Every Thing Will Be Allright: niet voor spektakel, maar voor een intiem relatiedrama over een schrijver (James Franco) die een ongeluk veroorzaakt en een kind doodrijdt. Helaas heeft de film een nietszeggend script en is het acteerwerk bar en boos – geen wonder, met hoofdrolspeler Franco die zo’n zes films per jaar maakt en er duidelijk niet helemaal bij is. Alleen technische innovatie kan de film niet redden.

Fotograaf en filmmaker Anton Corbijn kwam naar Berlijn met Life, een film over de sappelende fotograaf Dennis Stock (Robert Pattinson) die James Dean (Dane Dehaan) achterna zit voor de fotosessie, die zal resulteren in het beroemde beeld van Dean, weggedoken in zijn regenjas, op Times Square in New York. Dat gegeven is erg dun om een hele film te kunnen dragen. DeHaan speelt Dean ook behoorlijk gemaniëreerd en komt charisma tekort.

De boodschap is eerder dat James Dean een wazig en nogal onappetijtelijk kereltje was dan een fascinerende filmster. Wat Life toch de moeite waard maakt is de rol van voormalig tieneridool Pattinson als de neurotische fotograaf, in zijn meest volwassen rol tot nu toe.

Eigenlijk voldeed van de oudgedienden alleen de in Amsterdam woonachtige Britse veteraan Peter Greenaway aan de verwachtingen met Eisenstein in Guanajuato. In zijn overdonderende film verliest de legendarische Russische cineast Sergej Eisenstein (sterk gespeeld door de Finse theateracteur Elmer Bäck) op tamelijk ruige en bloederige wijze zijn homoseksuele maagdelijkheid tijdens een bezoek aan Mexico; in de visie van Greenaway het moment waarop de tot dan toe voornamelijk in zijn hoofd levende Eisenstein zijn lichaam en seks ontdekte.

Als het gaat om grote namen scoort Berlijn dus een dikke onvoldoende. Heel anders ligt dat bij de opkomende filmmakers die al eerder de aandacht op zich wisten te vestigen – zeg maar: de late dertigers – en die nu in Berlijn hun reputatie meer dan waarmaken.

De grootste mokerslag werd uitgedeeld door de Chileense cineast Pablo Larraín met El Club: een film over vier in opspraak geraakte, pedofiele priesters. Ze zijn door de kerk ondergebracht in een schuilhuis in een verlaten kunstplaats. Daar houden ze zich onledig met gokken op hondenraces, totdat ze worden geconfronteerd met een luidruchtig voormalig slachtoffer van een van hen.

Larraín zette speciale lenzen voor zijn camera om zijn film een donker, bijna wazig uiterlijk te geven. El Club is een harde, duistere en ronduit woedende film over institutioneel kindermisbruik in de kerk. Alle obsceniteiten worden zeer expliciet benoemd, in een film die ook nog eens zeer knap geacteerd is – één van de echte uitschieters van dit festival.

Hetzelfde geldt voor het intieme, onderhuidse relatiedrama 45 years van de Brit Andrew Haigh met Tom Courtenay en Charlotte Rampling in de hoofdrollen. Zij zien hun lange huwelijk wankelen als het lichaam van zijn eerste vriendin wordt gevonden, die ooit verongelukte in de Zwitserse Alpen. Zij is jaloers op de dode vrouw, hij droomt van het leven dat hij had kunnen hebben.

Haigh levert prachtig klein drama af, dat ook visueel imponeert; de beste film in competitie in Berlijn.

De Rus Alexey German Jr kwam met Under Electric Clouds: absurde episodes uit een futuristisch, kapot Rusland, waar in 2017 – honderd jaar na de revolutie – misdaad en geld de dienst uitmaken, en waar ‘overbodige mensen’ hun weg proberen te vinden.

Als het gaat om de opkomende filmauteurs was het filmfestival van Berlijn dus dik in orde. En er waren, criterium drie, ook nog een paar goede, veelbelovende debuutfilms te zien.

Uit Guatamemala komt Ixancul van Jayro Busamanta; sterk sociaal drama over een inheemse jonge vrouw die werkt op een koffieplantage en dreigt te worden uitgehuwelijkt.

Visueel inventief en aanstekelijk is Prins, de debuutfilm van het Nederlandse talent Sam de Jong. Het verhaal is overbekend: stoere, maar eigenlijk kwetsbare hangjongens in Amsterdam-Noord dreigen op het verkeerde pad te komen. Maar De Jong weet van elke scène iets te maken dat het alledaagse gegeven overstijgt. Prins was opgenomen in het programma voor jeugdfilms vanaf veertien jaar. Zo’n apart bijprogramma is een beetje een uithoek van het festival, maar het leverde De Jong wel zalen vol jubelende Duitse pubers op.