Poetins stramme pasjes

Amerika is wetenschappelijk gezien toch een vreemd land. Vorige week onthulden de media daar dat de Russische president Poetin Asperger zou hebben. Toponderzoekers hadden in opdracht van het Pentagon Poetins lichaamsbewegingen nauwgezet en jarenlang in kaart gebracht. Zo waren deze gedragswetenschappers en neuropsychologen tot de conclusie gekomen dat er tijdens zijn geboorte iets was misgegaan. Baby Poetin had hersenschade opgelopen en leidt daardoor nu aan Asperger. Kremlinologie 2.0. Waar Ruslandkenners tijdens de Koude Oorlog eindeloos studie maakten van de volgorde en opstelling van de Sovjet-gerontocraten bij parades en op foto’s, om daaruit af te leiden uit welke hoek de politieke wind waaide, zijn we een aantal decennia later niet veel verder. Richtlijn voor het Amerikaanse buitenlands beleid: studie van Poetins stramme pasjes. En de aanbevelingen van de onderzoekers? De Russische leider heeft baat bij een prikkelarme omgeving, kan niet tegen onvoorspelbaar gedrag en moet dus in onderhandelingen naar een rustig zijkamertje gemanoeuvreerd worden.

Professor psychiatrie Stephen Porges – een van de onderzoekers – was door de onthullingen nogal ‘embarrassed’ en bracht meteen naar buiten dat hij het zo niet had bedoeld. Maar een beetje Asperger-president pikt die signalen natuurlijk niet meer op. We zijn erg benieuwd met welke resultaten Obama volgende week thuiskomt.

Hoe kan het in vredesnaam dat een land met zo’n onderzoekstraditie, en zo’n oneindig budget, de complexiteit van Ruslands buitenlands beleid reduceert tot één enkel neuropsychologisch – volledig op afstand gediagnosticeerd – mankementje? Elke forensisch psycholoog die dit zou wagen, wordt door de vakbroeders afgemaakt. Het probleem is toch juist dat de ratio van Poetin c.s. bijzonder moeilijk te doorgronden is, en dat die ratio niet los te zien is van de geschiedenis van Rusland en de USSR, en van de houding van Europa en de VS ten aanzien van Rusland en de USSR de afgelopen 25 jaar. Poetin heeft herhaaldelijk aangegeven dat het ‘overwinnaarsgedrag’ van de EU na de ontmanteling van het Warschaupact hem bijzonder is tegengevallen. De westerse interventie in Kosovo was de druppel. Vanaf dat moment heeft Poetin precies gedaan wat Russische leiders in het nauw eeuwenlang hebben gedaan. Ze maken gebruik van tijd en ruimte om tegenstrevers te ontmoedigen en uiteindelijk hun zin te krijgen. En ze houden stug vast aan hun koers, wat ze combineren met eindeloos voortslepende vredesbesprekingen. Denk aan de MBFR- of SALT-onderhandelingen en alle semantische woordspelletjes, ontkenningen, het negeren van signalen destijds. Asperger? Ik denk dat historische, politicologische en sociologische collega’s daar veel meer over kunnen zeggen.

Het wetenschappelijke probleem in de Verenigde Staten is natuurlijk niet dat er te weinig getalenteerde onderzoekers of Ruslandkenners rondlopen. Het probleem is dat de vertaling van onderzoek naar politiek en beleid daar blijkbaar leidt tot zulke onacceptabele reducties. Of nog erger, het Pentagon kiest bij voorbaat het soort onderzoekers waar de politiek het meest baat bij heeft. Dit ‘personaliseren’ of ‘psychologiseren’ is namelijk veel beter te verhapstukken voor beleidsmakers dan onderzoekers uit de school van de ‘culturalisten’ of ‘structuralisten’, die allerlei moeilijke aanbevelingen doen.

Waar personalisten terrorisme, misdaad, racisme en militaire expansie reduceren tot enkele afwijkende persoonskenmerken, zoeken culturalisten verklaringen in cultuur en context van de betreffende groep. Structuralisten zoeken die in de kenmerken van de machtsrelaties en instituties waarbinnen de groep in kwestie opereert. Dat levert natuurlijk veel complexere verklaringen en dus geen eenduidige handelingsperspectieven op.

Het probleem is dat in de VS de frontlijnen tussen die kampen zo ontzettend scherp zijn getrokken en de academische spit battles zo fel zijn. Dat betekent dat samenwerking, een combinatie van invalshoeken, niet voor de hand ligt.

Dat geldt niet alleen voor het bovengenoemde beleidsrelevante onderzoek. Een kort verblijf in New York, aan Columbia University, leert dat de recente police shootings van Afro-Amerikanen tot net zulke academisch-politieke frontoorlogen leidt: is het de criminele inborst van het slachtoffer, is het de Afro-Amerikaanse cultuur, of is het geïnstitutionaliseerd blank racisme? Politieke voorkeur en afkomst bepalen de keuze. Onderzoekers als Harvard-socioloog Orlando Patterson, zelf een Afro-Amerikaan die de oversteek maakte naar het culturalistische kamp, worden door de eigen gemeenschap uitgekotst, want zij zouden de structurele ongelijkheid en het institutionele racisme onderschatten.

Zou het in Nederland veel anders zijn? Academisch zijn de frontlijnen hier minder scherp en is de politieke polarisatie minder heftig. Maar de debatten over terrorisme kenmerken zich ook hier regelmatig door academisch ontoelaatbare kortsluitingen. Het is de religie! Ze worden uitgebuit en gediscrimineerd! Nee, ze zijn gek! Gelukkig zijn het tot nu toe vooral politici of opiniemakers die dit soort reductionistische standpunten ventileren. Onoorbaar kwakzalveronderzoek zie ik ons eigen ministerie van Defensie nog niet doen. Laten we dat vooral zo houden.