Papa was briljant

Hendrickje Spoor schreef een boek over haar vader. Hij was hoofdredacteur van NRC Handelsblad en een bohémien. „Ik neem mijn ouders niet kwalijk dat ze egoïstisch waren.”

Schrijfster Hendrickje Spoor: „Na zijn overlijden lag hij opgebaard in de kamer. Ik merkte het meteen toen ik binnenkwam. Het zware gevoel was weg.”

In het restaurant waar we zitten kwam ze voorheen weleens met haar vader. De Belhamel, in Amsterdam. „Daar woonde papa”, zegt ze, wijzend naar de Herengracht aan de overkant. Hendrickje Spoor (51) is de dochter van André Spoor, tussen 1970 en 1983 hoofdredacteur van NRC Handelsblad en later van Elsevier. Ruim twee jaar geleden overleed hij. Deze week verschijnt haar boek Vader en dochter. Het is haar „hoogst persoonlijke relaas” over haar opvoeding en hun leven samen. Zij noemt het een „hommage” aan haar vader. Ik las een openhartig en bij vlagen pijnlijk egodocument van een geplaagde dochter.

André Spoor was de zoon van een generaal en de kleinzoon van een bekend violist. „Mijn vader was half keurige meneer en half bohémien.” Voor de krant was hij correspondent in Washington, Bonn, New York en Wenen. En zeker in de jaren dat hij NRC-hoofdredacteur was, behoorde hij tot de culturele elite van Nederland. „Hij omringde zich met de interessantste mensen. Diplomaten, schrijvers, politici, intellectuelen.” Hun achternamen zocht hij na in het rode (adellijke families) of blauwe (patriciaat) boekje. „Hij was geobsedeerd door afkomst en genealogie.” Niet omdat hij een snob was, zegt Hendrickje, maar omdat hij mensen wilde ‘plaatsen’.

Valt Hendrickje Spoor te plaatsen? Nauwelijks. Ze draagt de kleren van een mevrouw (knielange geruite rok, suède gilet, shawltje), ze praat als een freule, ze steekt haar neus in haar glas wijn als een connaisseur. Snuift. „Kurk. Moet mij weer overkomen.” Om daarna over tafel te buigen, en samenzweerderig te zeggen: „Kom, we gaan een rél trappen.” De rel valt mee (of tegen), de ober ruikt ook en geeft haar gelijk.

Hendrickje heeft een te hoog parelsnoergehalte, schreef een recensent bij verschijning van haar debuutroman De verweerde spiegel in 1993. Ze haalt haar schouders op. „Als je uit een bepaald milieu komt, en een bepaald soort Nederlands spreekt, vindt men je algauw elitair.” Dat haar vader en zij Baudelaire reciteerden in de auto onderweg naar hun vakantieadres? Raar. Dat ze op de middelbare school uitsluitend Oscar Wilde citeerde en zwarte soepjurken droeg? Ook raar. „Zelfs in mijn eigen milieu vonden mensen me raar.” Ze was het ‘kind waar wat mee was’, een buitenbeentje, mikpunt van pesterijen. In het Franse dorpje in „the middle of nowhere” waar ze nu een jaar of vijftien woont, heeft ze dat eenzame gevoel voor het eerst niet meer. „In Frankrijk ben ik Nederlander.” Laconiek: „Dat is sowieso raar.”

De eerste vijf jaar van haar leven woonde Hendrickje Spoor met haar ouders in Washington. Haar vader had zijn eerste vrouw en tweejarige dochter Sacha verlaten voor haar moeder, een jonge kunstenares. „In Amerika waren we gelukkig. Heel close. Misschien iets te. Mijn ouders vochten om wie me mocht knuffelen.” Ze kwamen terug naar Nederland omdat haar vader hoofdredacteur werd van de te fuseren kranten NRC en Algemeen Handelsblad. Het was 1970. Ze woonden in Amsterdam. „Mijn ouders waren te oud om hippie te zijn.” Maar jong genoeg om volop deel te nemen aan de seksuele revolutie. Allebei kregen ze verhoudingen, haar moeder onder anderen met Henk Jurriaans, psycholoog, kunstenaar en fenomeen, omdat hij zichzelf gedurende een maand tentoonstelde als levend kunstwerk in het Stedelijk Museum. Drie jaar na de geboorte van haar broertje Daniël scheidden haar ouders. „De vraag wie het eerst ontrouw was, is nooit opgelost. Een deel van mijn jeugd heb ik als een detective gezocht naar het antwoord.”

Zielig, zeg ik. „Zielig?” stuift ze op. „Dat is wel het láátste dat ik wil zijn.” Nou ja, hoe moet je het noemen als een klein meisje deelgenoot is van de liefdesperikelen van haar ouders? Onveilig? Ach, zegt ze. „Ik wist niet beter. Ik leed er wel onder. Maar ik kan ze niet kwalijk nemen dat ze zo egoïstisch waren. In die tijd was er een hele generatie ouders die zo leefde. Ze waren jong, ze wilden zich ontwikkelen, zich bevrijden. Dat volstrekte narcisme was niet uitsluitend iets van mijn ouders.”

Goed, seksuele vrijheid. Maar dan hoef je toch niet met iedereen naar bed, zeg ik. Geamuseerd: „Aha. Je bent een moralist.” Dan: „Vergeet niet dat ze ervoor kozen om zo te leven. Ze hadden een vrij huwelijk. Ze mochten allebei met anderen, op één voorwaarde: niet verliefd worden.” Nee, natuurlijk werkte dat niet, zegt ze. „Trouw is vertrouwen. En dat raakte onherstelbaar beschadigd.” Ze beschrijft dat haar moeder enkele weken in het ziekenhuis ligt na een herniaoperatie. Voor haar en haar broertje komen er oppassen. Haar vader slaapt met alle drie. Je kunt ook overdrijven, zeg ik. Ze lacht: „Ja, drie vond ik ook wel veel.” Vele verhoudingen zouden volgen. „Maar papa was geen versierder. Vrouwen kwamen op hem af.” Hij trouwde nog drie keer, en kreeg nog een dochter en een zoon.

De ober maakt een nieuwe fles rode wijn open. Deze is wel goed. Ze zoekt op de kaart naar een gerecht zonder vlees, kiest pasta met Hollandse garnalen. Mijn vader en ik, zegt ze, hebben dezelfde ogen, handen, huid. Al van kleins af aan voelt ze zich het meest verwant met hem. Hij was „briljant en geestig”, soms melodramatisch. „Als ik om zakgeld vroeg, zette hij een denkbeeldig pistool op zijn slaap. Luidkeels roepend ‘ik heb het niet, ik heb het niet’.” Net als hij hield ze van klassieke muziek, literatuur. Wat ze ook deelden, was de fascinatie voor haar moeder, zijn ex. „Mama was hartstochtelijk en creatief, en zeer onvoorspelbaar. Een gepassioneerde sfinx. Dat ze zoveel dronk, maakte het niet beter.” Leeft ze nog? „Ze is net 76 geworden.” Ze heeft haar een grote bos bloemen gestuurd.

Pispaaltje

Ook al was ze vooral haar vaders bondgenoot, na de scheiding bleef ze bij haar moeder wonen. Die stortte zich in het uitgaansleven. „Ineens kwamen er allerlei idiote figuren bij ons over de vloer en iedereen bleef slapen. Later is mama weer gewoon naar Brahms gaan luisteren, maar toen draaide ze alleen maar pop.” Ondertussen bleef Hendrickje het pispaaltje van de basisschool. Tot een nieuwe meester in de vijfde klas een einde maakt aan de pesterijen. „In de herfstvakantie ging ik naar papa. Aan het eind van die week belde mijn moeder om te zeggen dat ze een verrassing had.” De verrassing was dat zij en de nieuwe meester verliefd waren. Meester Aart kwam bij hen wonen.

Het woord zielig slik ik maar in.

„Op mijn tiende begon ik met schrijven”, zegt ze. „De ontrouw, de leugens, de emoties en tegenstrijdigheden waren de ideale leerschool voor een schrijver. Al heel jong heb ik geleerd mezelf buiten de gebeurtenissen te plaatsen en te ontrafelen waarom mensen doen zoals ze doen. What is really going on? Voor mijn vader was dat ook een obsessie. Hij vond het de taak van de journalist om de ware aard der dingen te onderzoeken.” Ze heeft altijd geweten dat ze ooit een boek over hem zou schrijven. „Hij wist dat ook. Bij elke afwezige vaderfiguur in mijn romans, klaagde hij dat ik hem zeker onbelangrijk vond. ‘Je wacht zeker tot ik dood ben’, zei hij dan.” Ze is Vader en dochter gaan schrijven, omdat ze hem zo miste toen hij was overleden. „Ik wilde weer dicht bij hem zijn.” Het is, zegt ze nadrukkelijk, haar verhaal over haar opvoeding. „Maar ik heb niks verzonnen, verhuld of verfraaid.”

Het boek is geen aanklacht en geen afrekening, zegt ze. „Het is een eerbetoon.” Ze meent het als ze schrijft dat ze dankbaar is het kind te zijn van deze twee „uitzonderlijke mensen”. De eenzaamheid van haar jeugd bleef haar achtervolgen. Toen ze een jaar filosofie in Leiden studeerde en ontgroend werd bij Minerva, in Parijs waar ze studeerde, tijdens haar eerste huwelijk met hoogleraar filosofie Herman Philipse, en gedurende het tweede, met een Franse edelman. Nu woont ze samen met Alain, een Frans-Israëlische componist. „Voor het eerst ben ik met iemand die mijn vader niet via via kende en kon plaatsen.” Maar wel een man die, net als haar vader, „muziek maakt, schildert, schrijft en Baudelaire leest”.

Het was haar vaders droom om Freier Schriftsteller te zijn. Zij is het geworden. „De vogelvrijheid van mijn jeugd had ook voordelen. Mij is niets in de weg gelegd. Ik kon worden wat ik wilde.” Ze werd romancier. „Achteraf misschien toch omdat mijn vader dat van mij verwachtte.” Haar eerdere boeken hadden niet zoveel succes dat ze ervan kan leven. Ze voorziet in haar onderhoud met handgedecoreerde lampenkappen. De romanvorm past haar niet, zegt ze. „Autofiction”, ze zegt het op z’n Frans, ligt haar beter. „Ik wil authentiek en eerlijk vertellen.”

Maar, hoeveel eerlijkheid verdraagt een eerbetoon? „Het is de taak van de schrijver om zo eerlijk mogelijk verontrustende dingen te schrijven. Rousseau vatte die taak zeer serieus op. Dus schreef hij in zijn memoires ook dat hij genoot van een pak slaag. Exhibitionistisch? Misschien. Maar schandalig, nee. In Nederland rust zo’n taboe op het egodocument.”

De ober vraagt of we een nagerecht wensen. O nee, zegt ze. „Ik ben zó geen dessertmens.” Wel koffie. Ze kijkt door het raam naar buiten, naar de huizen aan de Herengracht. „Sinds mijn vaders dood voel ik me beter in Amsterdam”, zegt ze. De laatste jaren van zijn leven was hij minder sprankelend dan daarvoor. „Het leek alsof hij zich intellectueel verveelde. Als ik hem bezocht, was het of er een lauwe theedoek op me werd gelegd.” Ze dacht dat het kwam omdat zijn huis te warm was, hun gesprekken te intens. „Na zijn overlijden lag hij opgebaard in de kamer. Ik merkte het meteen toen ik binnenkwam. Het zware gevoel was weg.”

Door haar verhuizing naar Frankrijk, was hun band al iets losser geworden. „Frankrijk was iets van mij. Ik kende de taal beter, de literatuur.” Zijn dood was niet zozeer een bevrijding. „Het is meer dat ik door over hem te schrijven mezelf heb bevrijd.”