Mijn dagen met Zoe

Pieter Steinz heeft de spierziekte ALS en verbindt het verloop van zijn ziekte met de boeken die hij (her)leest. Deze week: 2001: A Space Odyssey van Arthur C. Clarke

illustratie marike knaapen

Een Brugman ben ik in het diepst van mijn gedachten, maar de volzinnen komen een beetje rottig mijn strot uit. Eerlijk gezegd ben ik niet meer te verstaan, soms niet eens door mijn vrouw, die meestal op basis van gedachtenlezen en gebarentaal kan begrijpen wat ik zeg. Mijn tong is log, mijn lippen zijn lam, mijn adem is slap en eigenlijk kan ik alleen nog klinkers uitbrengen.

Vandaar dat ik aangewezen ben op het iPad-spraakprogramma dat ik vorig jaar van een vriendelijk bedrijf cadeau kreeg. Ik heb het zo lang mogelijk geprobeerd uit te stellen; praten via de tablet gaat namelijk tergend langzaam. En dan ben ik nog verwend, omdat ik anders dan de meeste andere ALS-patiënten mijn vingers vlot over het toetsenbord kan bewegen. De sterrenkundige Stephen Hawking moet met mond- en wenkbrauwbewegingen werken en haalt vijf woorden per minuut, nota bene met de nieuwste apparatuur. Anderen sturen hun computer aan met hun ogen en doen een uur over het schrijven van één bericht. Maar ook ik heb een zekere handicap. Regelmatig gebeurt het dat ik met een spits antwoord of een hoogst interessante opmerking aankom als mijn gesprekspartners alweer bij een volgend onderwerp zijn. Alsof ik in de ruimte zweef en mijn stem er een halve minuut over doet om de aarde te bereiken.

Het eerste wat je moet doen als je gebruik gaat maken van spraaktechnologie is het kiezen van een stem. Mijn programma – laat ik het de Discovery noemen, want een gegeven paard mag je eigenlijk niet in de bek kijken – heeft er negen. Vier Nederlandse en drie Vlaamse, waarbij je de Belgische Jeroen om een of andere reden in drie smaken kunt krijgen: neutraal, happy en sad. In een testtekstje zeggen ze dat ze „vlot en natuurlijk” klinken, maar dat valt tegen: Jeroen-Sad heeft het timbre van een robot met stroomtekort, Jeroen-Happy en Sofie struikelen over hun woorden, Femke heeft een wee-je-gebeentestem, Max lijkt op een Muppet en Jasmijn klinkt alsof ze net uit Gooische Vrouwen is gestapt. Ik koos aanvankelijk voor Daan, maar op verzoek van mijn gezin, dat zich ergerde aan een mannenstem die niet de mijne was, ben ik overgestapt op de Vlaamse Zoe (zonder puntjes op de e). Naar het schijnt kiezen ook de meeste automobilisten voor een Zuid-Nederlandse dame op hun TomTom.

Zoe’s stem is prettig, maar komt niet in de buurt van de mooiste aller computerstemmen; die van de boordcomputer Hal uit Stanley Kubricks verfilming van 2001: A Space Odyssey van de sciencefictionschrijver Arthur C. Clarke. Hal heeft een rustige, hypnotiserende stem, waarin de toehoorder pas dreiging detecteert wanneer hij gaat muiten – een scène die in het boek nog sterker is dan in de film, omdat Clarke de reden geeft waarom de computer eigenmachtig gaat optreden. „Hal was onschuldig toen hij geschapen werd”, schrijft hij; „maar al te snel was een slang zijn elektronische Hof van Eden binnengedrongen.” Omdat Hal op last van mission control de ware aard van de ruimtemissie voor de astronauten verborgen moet houden, komt hij in „gewetensconflict”, met rampzalige gevolgen.

Ook Zoe heeft een eigen willetje. Natuurlijk heb ik geen bezwaar tegen haar Vlaamse klinkers en zachte g’s, die juist bijdragen aan haar charme; ook haar neiging om sommige doodnormale woorden op een heel aparte manier uit te spreken („gips” in plaats van „chips”, „een” in plaats van „één”) heeft wel iets aandoenlijks. Maar haar uitzinnige klemtonen maken sommige van mijn teksten onbegrijpelijk voor de toehoorders, en wanneer ik Engelse woorden gebruik leidt dat tot onbedoelde hilariteit. Over lange samengestelde woorden struikelt ze (die moet ik dus geheel tegen mijn principes voorzien van spaties), „ALS-patiënt” verandert ze in „als-patiënt” en ronduit hinderlijk is haar gewoonte om de genetief-s uit te spreken als „apostrof-es”.

Op andere vlakken is Zoe zelfdenkend. Net als de smartphone en de tablet werkt de Discovery met woordherkenning, en dat wil bij snel typen nog wel eens voor verrassingen zorgen. Ook doet ze aan woordvoorspelling: als je een paar letters intypt, krijg je op een balk onderaan je scherm een vijftal mogelijke woorden te zien. Maar het vervreemdendst is de zogeheten ‘Snelspraak’ aan de rechterkant van het scherm. Regelmatig overkomt het me dat ik de krant zit te lezen, per ongeluk ‘doordruk’ op mijn iPad en word opgeschrikt door een hartelijk „Hoe gaat het?” of een licht smekend „Kun je me helpen?”

Gesprekken met Zoe kan ik trouwens niet voeren, dat is iets voor de volgende generatie Discovery’s. Gelukkig maar, want ik kijk niet uit naar het soort conversaties dat de gezagvoerder van het ruimteschip in 2001: A Space Odyssey heeft met zijn alwetende boordcomputer. In ieder elektronisch Eden sluipt ooit een slang binnen. Ik moet er niet aan denken dat Zoe op een dag bestraffend zegt dat ze kan merken dat ik onrustig ben: „Waarom slik je geen stresspil en neem je wat rust?” En als ik me dan voorzichtig hardop afvraag wie hier eigenlijk de baas is, antwoordt ze in zoetgevooisd Vlaams:

„Het spijt me Pieter, maar ik ben gedwongen je gezag te overrulen, aangezien je niet in de conditie bent om het op een verstandige manier uit te oefenen.”