Man zijn betekent wilskracht

Waar de mannelijkheid ontbreekt, waar de geest van lamlendigheid, lafheid en slapheid heerst, daar wordt weinig tot stand gebracht, constateert Andreas Kinneging.

Mannelijkheid – veel hoor je het woord niet meer. Als iemand het al in de mond neemt, dan in de regel schamperend. Het is onmiskenbaar: in de hedendaagse deugdencatalogus is er voor mannelijkheid geen plek meer. Welke vrouw prijst er nu nog een man om zijn mannelijkheid? Waar vindt men nog waardering voor de echte man? Het zijn denkcategorieën die, althans in de noordelijke landen van het Westen, grotendeels uit de geest gewist zijn.

Volgens velen is dat terecht: good riddance dat we er vanaf zijn, vinden ze. Mannelijkheid is iets slechts, oorzaak van geweld en onderdrukking, harteloosheid en gebrek aan inlevingsvermogen. Wat we nodig hebben is zachte, gevoelige mannen, vrouwelijke mannen.

Is dat werkelijk waar? Moeten we echt blij zijn van het ideaal van mannelijkheid af te zijn? We zijn geneigd dat voetstoots aan te nemen, maar is het ook zo? Of hebben we iets beduidends verloren, toen we de mannelijkheid bij de schroothoop van de geschiedenis zetten? Zijn we iets voornaams kwijtgeraakt?

Om een redelijk oordeel te kunnen vellen over de waarde van mannelijkheid, moet je natuurlijk wel weten waar je het over hebt. Mannelijkheid, zoals die naar voren komt in de Westerse ethische traditie en trouwens ook in allerlei andere tradities, heeft niets, maar dan ook niets te maken met het Neanderthaler-gedrag waar ze nu door haar critici voor wordt gehouden en waar sommige mannen mee koketteren. Mannelijkheid heeft ook niets van doen met de mate van lichaamsbeharing of van de seksuele slagkracht. ‘Een man zijn’ betekent je niet laten intimideren, je niet bang laten maken, niet bij het minste of geringste opgeven, niet laf zijn, maar moed tonen, mentale kracht, wilskracht, onverstoorbaarheid, doorzettingsvermogen, onverzettelijkheid, et cetera. Wie heeft het ooit beter uitgedrukt dan Rudyard Kipling in zijn gedicht If? Hier is het laatste couplet, maar lees het vooral helemaal:

If you can talk with crowds and keep your virtue,

Or walk with Kings—nor lose the common touch,

If neither foes nor loving friends can hurt you,

If all men count with you, but none too much;

If you can fill the unforgiving minute

With sixty seconds’ worth of distance run,

Yours is the Earth and everything that’s in it,

And—which is more—you’ll be a Man, my son!

Mannelijkheid is zo bezien bepaald geen zachte, vrouwelijke kwaliteit, zoals empathie of zorgzaamheid. Dat is waar. Het is juist een bepaalde hardheid, blijkt uit het gedicht van Rudyard Kipling.

Maar maakt dat de mannelijkheid dan tot iets overbodigs, of zelfs iets slechts? Me dunkt van niet. Mannelijkheid in de ware zin des woords is juist dikwijls van groot belang, voor de individuele mens, maar zeker ook voor de samenleving als geheel. Waar de mannelijkheid ontbreekt of tekortschiet, waar de geest van lamlendigheid, lafheid en slapheid heerst en het-lukt-toch-niet-laten-we-er-maar-mee-ophouden, daar worden geen moeilijkheden overwonnen en wordt dus weinig tot stand gebracht. Daar wordt toegegeven, net zolang tot alles en iedereen is weggegeven. Tijd dus voor een rehabilitatie van de mannelijkheid.

Goed, zult u nu wellicht zeggen. Toegegeven, zo gezien is mannelijkheid inderdaad iets goeds. Maar het is zeker niet alleen voor mannen iets goeds, zoals in het verleden werd gedacht. Ook vrouwen moeten zich de mannelijkheid in genoemde zin ter harte nemen. Zij moeten immers ook ‘hun mannetje kunnen staan’.

Voor een deel heeft u gelijk. Kwaliteiten als doorzettingsvermogen, mentale kracht en wat dies meer zij, is bepaald niet alleen voor de man van belang. In het verleden werd dat trouwens wis en zeker erkend. Maar de vraag is: moet de mannelijkheid aan vrouwen in dezelfde mate worden voorgehouden als aan mannen? Als mannen en vrouwen een exacte eendere natuur hebben, enkele kleine anatomische verschillen daargelaten, uiteraard wel. Er is dan geen enkele rechtvaardiging hen anders te bejegenen. Als die natuur echter niet exact gelijk is, maar ten dele afwijkend, dan ligt het anders.

Zou het zo kunnen zijn – ik formuleer het heel voorzichtig - dat de verschillen tussen man en vrouw door de bank genomen zo groot zijn dat men ze er niet gelukkiger op maakt en de samenleving niet beter laat functioneren, door precies hetzelfde van hen te verwachten en exact gelijke idealen aan hen voor te houden? Wie dat dan toch doet, maakt van vrouwen hooguit halve mannen en van mannen hooguit halve vrouwen.

Of we daar nou zo gelukkig van worden met zijn allen, dat waag ik te betwijfelen.