Licht aan de rivier

Hoi An in Vietnam is beroemd omdat er elke avond een lichtfeest is. Maar kom in de vroege ochtend en zie wat stilte met de stad doet.

In de haven van Hoi An worden lichtjes ontstoken en kunnen toeristen een lampionnetje kopen om het lot te bezweren. Foto Herman van Heusden

6.00 uur

Het is vroeg. De zon staat nog laag en schampt schuin over de rivier die door het dorp slingert. Gisteravond oogde deze nog zo feeëriek door de sprookjesachtige verlichting van duizenden lichtjes, kaarsen en lampionnen, nu ligt ze er zompig bij. Hoi An s’éveille. De toeristen zijn verdwenen, het dorp is van de dorpelingen. Van de vrouwen vooral. We zien alleen vrouwen en zwerfhonden. Oudere vrouwen dragen de typisch Vietnamese strooien kegelhoeden, Nón Lá’s. De jongere vrouwen prefereren de krultang en de wind in hun haren. Ze vegen de straten en bevolken de markt, geen man laat zich zien. Het is doodstil.

Hoi An maakt geen lawaai als het wakker wordt, geen auto’s, alleen maar fietsen, een lauwe windvlaag nu en dan, niemand praat. Men groet elkaar met een zwijgende knik, een glimlach, een opgestoken hand.

Op het dorpsplein komt een groep vrouwen samen, in het wit gekleed met als bloedig accent ieder een rode waaier. De oudste pakt een transistorradiootje uit haar fietsmandje, drukt op de knop en als er langzaam krakende muziek klinkt springen ze in positie en beginnen met een ochtenddans die het midden houdt tussen Tai Chi en flamenco, langzame evenwichtsoefeningen waarbij de bamboe waaiers synchroon worden open- en dichtgeklapt, klak klak, alsof er iemand met naaldhakken over het parket loopt. Tai Chi Kungfu Fan heet het, een nieuwe sport die speciaal voor de Chinese Olympische Spelen in 2008 is bedacht, en sindsdien in heel Azië is overgenomen. Even zwijgend als ze kwamen, gaan ze na deze ochtendgymnastiek weer ieder huns weegs, op de fiets.

Dan pas, rond achten, komen de mannen. Op boten met pruttelende motoren. Dreigend staan ze opeengepakt, hun brommers ronkend in de aanslag, met helmen op en monddoeken voor, alsof ze vanuit het water het stadje komen overvallen, als deze het meest weerloos is, bij het krieken van de dag. Steeds meer boten verschijnen, allemaal volgepakt met modern uitziende ridders, komend van naburige dorpen op weg naar hun werk. Dan is de rust voorbij. Zwerfhonden rennen voor hun leven, er wordt getoeterd en gas gegeven, vuilniskarren snerpen over het plaveisel, in het eeuwenoude centrum gaan de winkelpuien open en worden de toeristische T-shirts opgehangen met opschriften als Vietnam is a country, not a war en I love the smell of napalm in the morning.

In de zestiende en zeventiende eeuw was Hoi An een van de belangrijkste handelshavens van Zuidoost Azië. Chinezen, Japanners, Engelsen, Indiërs, Fransen en Hollanders kwamen er handeldrijven. Maar gaandeweg werd de rivier te ondiep voor de modernere schepen en werd Hoi Ans positie overgenomen door naburig Da Nang. Een economische ramp die eeuwen later toch een zegen bleek: doordat het dorp in de vergetelheid raakte, overleefde het bijna ongeschonden de Vietnamoorlog. Het oude dorp staat nu op de Werelderfgoedlijst, veel van de tempels, huizen, straten, poorten en bruggen die men hier ruim vier eeuwen geleden bouwde, zijn nog intact.

18.00 uur

Het donker dekt alles toe. Dan zie je de oneffenheden niet, de scheuren, de afgebladderde verf. Als de avond valt, komen de toeristen van de grote resorts uit de omgeving. Hoi An is beroemd om zijn duisternis, dan viert men het feest van het licht. Ooit was dat een keer per maand, op de veertiende dag, maar nu staat de geschiedenis in dienst van de moderne mens en de commercie, en is het een dagelijks ritueel geworden om de drommen toeristen te vermaken. Verlichte draken dobberen op de rivier, houten gevels zijn behangen met lampjes, de straatmarkt en de tientallen cafés en restaurants wedijveren om het mooiste licht.

Het zijn de eeuwenoude bruggetjes die het meest romantisch aandoen; daar worden kaarsen in papieren bootjes te water gelaten en hangen lampionnen in alle maten en kleuren. Straatverkopers trekken aan je mouw, lopen je achterna, iedereen moet een lampionnetje kopen of een kaars te water laten, anders ben je verdoemd, zal de vloek van Hoi An je te pakken krijgen. De bruggen zijn de plek om een selfie te maken. De doorloop stagneert, iedereen op de foto, iedereen aan de cocktail op het terras, iedereen aan de knapperige bánh xèo-pannenkoeken met garnalen en taugé. En ook iedereen in een nieuw pak of nieuwe jurk, want Hoi An is beroemd om z’n kleermakers. Ze zijn open tot in de kleine uurtjes en worden druk bezocht, de ene tailor made to measure naast de andere, alles klaar in een dag, gratis bezorgd in het hotel. De mooiste kasjmier en zijde voor een schijntje, het afdingen gaat met veel plezier aan beide kanten.

Als me gevraagd wordt wat ik wil drinken en ik Cola Light antwoord, krijgt de winkeldame een lachstuip: „You light? Hihi. You skinny! You need real Cola with lots of sugar!

Dan lopen we het oudste gedeelte van het stadje binnen, waar in de zestiende eeuw de rijke buitenlanders hun woonstee en nering bouwden en de Japanners hun eigen wijk stichtten. Deze huisjes zijn nu museumpjes geworden, ietwat krakkemikkig, gevuld met niet bijster interessante potten en pannen, de meeste stuk en provisorisch gelijmd, de vitrines bijeengehouden door plakband. „Where you from?”, vraagt de oude museumbewaarder zonder tanden, en dan neemt hij ons mee naar een bord en een gescheurde landkaart en roept enthousiast „Dutch!”.

Het is fijn dwalen door nachtelijk Hoi An. Straatmuzikanten overspelen elkaar onder luid gejoel, men smijt potten en pannen stuk (een volksspel), en speelt bingo-in-huts, een plaatselijk loterijspel waarbij volksliedjes de hoofdrol spelen en dat eeuwen geleden uit verveling is ontstaan, toen vissers hun tijd bijtten tot ze bij het krieken van de dag weer konden gaan vissen. We slenteren binnen bij een lampionnenmaker en worden meteen bij onze lurven gepakt („You sit and learn and enjoy”), waarbij vooral dat enjoy op dwingende toon wordt uitgesproken. We ontsnappen, verdwalen, en eten op een terras in de zwoele avondlucht de beste Côte de Boeuf in jaren, met dank aan het Frans koloniale verleden van Vietnam. De rondborstige rode wijn is niet minder Frans in Hoi An. Net zo min als het plateau met kaas.

De volgende ochtend worden mijn jasjes in het hotel afgeleverd, elk in een aparte kledingzak. Ze passen perfect. Ook al ben ik verdoemd tot in de eeuwigheid (ik kocht kaars noch lampion), ik ben goed gekleed als ik in het hellevuur beland.