Ik vond mijn moeder geweldig opwindend

„Als ik dood ben, ga jij natuurlijk al die dingen over mij opschrijven.” Dinsdag verschijnt het boek dat Maarten ’t Hart over zijn moeder schreef: Magdalena.

tekst Jannetje Koelewijn foto’s Merlijn Doomernik

Maarten ’t Hart over zijn moeder: „Hoe ouder ze werd, hoe woedender de beschuldigingen werden. Mijn broer en zus brulden dan dat ze haar mond moest houden, maar dat deed ik nooit.”

Maarten ’t Hart (70) heeft een boek over zijn moeder geschreven, Magdalena. Dinsdag zal het verschijnen. Magdalena stierf in juli 2012, 92 jaar oud. Ze groeide op in Maasland, als oudste dochter in een streng gereformeerd tuindersgezin. Ze trouwde op haar eenentwinigste met een streng gereformeerde grafdelver, de vader van Maarten ’t Hart. Dit gesprek is bij ’t Hart thuis, in Warmond.

Is Magdalena fictie?

„Nee, geen fictie, het is allemaal echt zo gebeurd. Als schrijver heb je de neiging om dingen een beetje te veranderen, maar dat heb ik in dit boek niet gedaan.”

U beschrijft gesprekken uit uw jeugd alsof ze gisteren gevoerd zijn.

„Ik heb een heel goed geheugen.” Hij lacht. „Of geloof je me niet?”

Jawel, maar als lezer kun je je afvragen hoe u te werk bent gegaan.

„Mijn moeder herhaalde zichzelf ontzettend vaak. Ze was er mordicus op tegen dat ik zou doorleren en naar de hbs zou gaan, en die gesprekken kwamen iedere keer terug, met dezelfde argumenten, ik heb ze wel dertig of veertig keer gehoord. Die zitten dan zo goed in je hoofd dat je ze zestig jaar later nog zo kan opschrijven.”

Het was een oud idee om een boek over uw moeder te schrijven, toch?

„Heel oud. Toen mijn vader was gestorven, in 1973, heb ik een roman over hem geschreven, De aansprekers, en toen dacht ik al: voor het evenwicht moet er ook een boek over mijn moeder komen, dan zie je pas hoe raar het allemaal was, met die paranoia van haar. Maar het kon niet, want ze leefde maar door en door. Ze zei altijd tegen me: als ik dood ben, ga jij natuurlijk al die dingen over mij opschrijven. Ze vond het best, als ik het maar niet deed zolang zij er nog was.”

En daar hebt u zich aan gehouden.

„Ja, ik heb gewacht tot ze gestorven was.”

Waarom eigenlijk? U beschrijft uzelf als een pestkop die al die dingen die u hebt opgeschreven ook tegen haar zei.

„Omdat ik het toch te erg vond, wat ik over haar te vertellen had, en op papier ziet het er anders uit. Als ik het wel had gedaan, zou ze het zelf waarschijnlijk niet gelezen hebben, maar haar broers en zussen wel, en die zouden haar meteen gebeld hebben: moet je nou eens horen wat die Maarten allemaal over je schrijft. Nu kunnen ze haar niet meer bellen. Ze zullen wel verschrikkelijk boos zijn.”

Dat vindt u niet erg?

„Ze zijn allemaal net zo geschift als mijn moeder, dus nee, daar heb ik geen last van.”

Haar nagedachtenis mag bezoedeld worden?

„Ja, dat mag. Ja, ja, want ze heeft met die rare paranoia van haar heel veel kwaad gedaan. Mijn vader heeft in ieder geval ontzettend onder haar geleden. Mijn broer en zus en ik wat minder, denk ik.”

Uw vroegste herinneringen aan uw moeder, hoe ze haar nylonkousen aantrekt, doen denken aan Philip Roth.

Portnoy’s Complaint! Ja, prachtig, prachtig. Mijn moeder had niet in de gaten dat dat kleine jongetje haar zo nauwkeurig zat te bekijken. Later was ze veel preutser.”

Waar keek u naar?

„Hoe ze die kousen aantrok, haar korset, haar jarretels, hoe ze die vastmaakte. Dat vond ik allemaal geweldig opwindend. Heel erg mooi.”

Was het verliefdheid?

„Ja, ik was helemaal épris van haar, gebiologeerd, ook door dat lange haar. Ze had toen nog lang zwart haar, in een wrong. ’s Morgens als ze uit bed kwam werd dat losgemaakt en gekamd, en daar ging heel veel tijd mee heen, met dat kammen, en dat vond ik geweldig. Opwindend. Spannend. En dan ben je nog maar een jaar of drie. Of twee.”

U wilde zijn zoals zij was, schrijft u, en doen wat zij deed. Naaien, breien, borduren.

„Alles wat zij deed wou ik ook leren. Ik was heel erg ontevreden dat ik niet op de naaimachine mocht werken. Mijn zusje mocht het wel, want zij was een meisje.”

Tegelijkertijd pestte u haar enorm.

„Ik was haar voortdurend aan het uitdagen, kijken waar de grenzen lagen, zolang ik me kan herinneren. Hard aan het tafellaken trekken, tot alles op de grond lag.”

En dan lachen.

„Ja, ja, dat vond ze verschrikkelijk.” Hij lacht. „Dat begrijp ik wel, als je serviesgoed eraan gaat.”

Waarom deed u dat?

„Een slecht trekje van me. Ik wou haar gewoon jennen, pesten. Bij mijn vader deed ik het niet, dan kreeg ik meteen klappen. Mijn moeder was eigenlijk heel geduldig en zachtaardig, en fysiek contact vond ze verschrikkelijk, dus slaan deed ze niet.”

Uw moeder leed aan wanen, schrijft u. Is ze ooit naar een psychiater geweest?

„Een psychiater? Dat was in dat milieu totaal ongebruikelijk. Een psychiater, dan ging je het gekkenhuis in. Mijn grootvader, haar vader, had een keer in Delft in het gekkenhuis gezeten. Dat was traumatisch geweest. In de familie waren er ook twee tantes die in een gekkenhuis zaten. Die dachten dat ze Maria Magdalena waren.”

Die leden dus ook aan wanen.

„Ja, maar de waan die mijn moeder had, dat je man altijd vreemdgaat, dat is toch weer wat anders. Haar broers en zussen hadden het ook, heel eigenaardig. Die dachten allemaal dat hun partners vreemdgingen. Mijn moeder stuurde me toen ik klein was vaak met mijn vader mee, later begreep ik pas waarom. Dan kon hij niks met een andere vrouw doen.”

Wanneer begon u te merken dat er iets niet klopte?

„Vrij laat, want als kind neem je alles voor lief. Op maandag, als ze de was deed, liep ze altijd te huilen, want dan had mijn vader de dag ervoor in de kerk weer naar een of ander mokkel zitten gluren, volgens haar. In het begin dacht ik dat hij dat dan wel gedaan zou hebben, want ze was zo verdrietig, zo ongelukkig. Pas op de hbs begon ik te denken: dat kan toch helemaal niet. Ik had mijn vader een paar keer geobserveerd, vanaf de gaanderij in de Immanuëlkerk, en ik zag hem echt niet naar bepaalde vrouwen loeren. Dat zei ik tegen mijn moeder, maar nee, ze wist het zeker, onder het bidden had hij zitten gluren. En dan zei ik: dus jij hebt tijdens het bidden je ogen opengehouden om hem in de gaten te kunnen houden?”

Ze dacht ook dat uw vader eens een vrouw op de begraafplaats waar hij werkte had verstopt in een graf, samen met haar fiets.

„Dat is nog steeds het krankzinnigste verhaal dat ik ooit van haar gehoord heb. Het merkwaardige is, toen mijn vader dood was, verwachtte ik dat het wel zou afnemen, maar het werd sterker. Hoe ouder ze werd, hoe woedender de beschuldigingen werden. Mijn broer en zus brulden dan dat ze haar mond moest houden, maar dat deed ik nooit. Ik wilde weten hoe het werkte. Dat verhaal van dat graf, toen ze dat vertelde, was ze al 88. Ze vertelde het ook aan de dominee, en na haar dood zei die: ik had de indruk dat je moeder misschien wel eens dingen verzon. Maar hij dacht wel dat mijn vader een heel slechte man was geweest. Ik zei: mijn vader had helemaal geen belangstelling voor vrouwen, totaal niet, dat is juist zo raar.”

Hoe verdedigde uw vader zich?

„Hoe kun je je verweren als niet geloofd wordt wat je zegt? Als hij weer eens zo’n beschuldiging naar zijn hoofd had gekregen, trommelde hij met zijn vingers op de leuning van zijn stoel, helemaal wit. Totale verslagenheid.”

Hij leidde wel zijn eigen leven, als lid van de mannenvereniging Schrift en Belijdenis en van de vrijwillige brandweer.

„Jawel, maar hij wou ook graag een keer naar de paardenmarkt in Voorschoten en in Zuidlaren, en dat mocht niet. Hij mocht ook geen motor kopen, want dan zou hij natuurlijk een mokkel achterop nemen. Hij liet zich volledig de wet voorschrijven. Tegen mij zei hij wel: ze hebben het allemaal in die familie van haar. Mijn moeder dacht ook dat ze voortdurend bespied werd. Op haar laatste adres werd ze volgens haar bespied vanuit het huis aan de overkant, met een verrekijker. De buurman had zo’n hoge wagen en ik zei tegen hem: zet die voor haar raam. Toen zei ze: daar aan de overkant hebben ze zo’n apparaat dat je in onderzeeboten hebt, waar je mee om de hoek kan kijken.”

U moeder was zeer gelovig en zoals u dat beschrijft, was dat ook een waan.

„Zeker. Voor mij is het christendom één grote waan, één grote paranoia. Daarom denk ik, als dit boek verschijnt, dat al die christenen weer heel erg boos op me zullen worden.” Hij lacht. „Dus dat pesten, dat lukt weer goed.”

Als kleine jongen ging u uitzoeken of het verhaal van de Ark van Noach kon kloppen, al die dieren die mee moesten, de logistieke problemen...

„Het was volstrekt onmogelijk.”

Was het uw manier om u tegen de wanen van uw moeder te verzetten?

„Tegen de waan van het christendom kun je iets doen door te laten zien dat die bijbelverhalen lulkoek zijn. Tegen de wanen van mijn moeder viel niets te doen.”

Ze geloofde in een God die alles ziet.

„Daar komt het misschien wel vandaan. Een God die je voortdurend aan het bespieden is, daar word je gek van. Kort voor haar dood zei mijn moeder dat ze haar leven lang vreselijk gezondigd had. Wat dan? Hoe dan? Ze kon niets bedenken. Ja, ze had gezondigd tegen het vierde gebod, eert uw vader en uw moeder. Haar vader was een geweldige potentaat, ze was doodsbang voor hem geweest. Ze had nooit van hem gehouden.”

Vanaf haar elfde sliep ze elke nacht met een van de knechten van haar vader in één bed. Had ze het daar nog over?

„Vreemd verhaal, hè. Er was nooit wat gebeurd, zei ze. Die jongen, hij was veertien toen het begon, sliep gewoon altijd bij haar in bed. Ze was dol op hem. Toen ze zelf veertien was, begon ze het vreemd te vinden en toen had ze gezegd dat het maar eens moest stoppen. Een gelukkige jeugd heeft ze niet gehad, mijn moeder. Zodra ze van de lagere school af was, moest ze alles doen in huis. Wassen, eten koken, schoonmaken, haar jongere broers en zussen verzorgen. Haar moeder deed niets meer.”

Waarin lijkt u op uw moeder?

„Ik heb vrij veel van die benepen trekjes van haar. Zij riep bij alles: nergens voor nodig. Dat is mijn primaire reactie ook altijd. Hanneke [de echtgenote van Maarten ’t Hart] had vorige week een Russische grammatica gekocht, en Russische woordenboeken, want ze wil weer een nieuwe taal leren. Ik dacht: dat vind ik wel een beetje bizar, ze heeft net Italiaans geleerd. Dus ik zei: dat is toch nergens voor nodig? Hanneke is dan verontwaardigd, ik wil iets dat zij leuk vindt tegenhouden. En daar heeft ze gelijk in. Dat is dus mijn moeder die als het ware in mij opduikt: dingen tegenhouden.”

Uw moeder wilde zelfs tegenhouden dat u uw tanden poetste.

„Dat begrijp ik nog steeds niet. Dat ze niet wilde dat ik naar de middelbare school ging begreep ik, want dan kwam je in aanraking met denkbeelden die je van het geloof konden afhouden, en het allerbelangrijkste, het énig belangrijke in het leven was toch dat je je geloof beleed. Maar waarom mocht ik mijn tanden niet poetsen?”

Bij de begrafenis van uw moeder zei de dominee de Apostolische Geloofsbelijdenis op en u maakt die in uw boek woord voor woord belachelijk. Tegen wie hebt u het dan?

„Tegen die dominee. Tegen alle christenen. Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde… Het is zulke onzin! Dat moet maar eens aan de kaak gesteld worden. Niemand eerder die dat zo gedaan heeft. Ik weet in ieder geval geen voorbeelden. Zo’n dominee die dat bij het graf van je moeder staat op te zeggen en je kan niks terugdoen, dat maakt me verschrikkelijk boos. Je wordt bedonderd waar je bij staat.”

Waarom is het zo erg? Waarom laat u het niet van u afglijden?

„Ik wil niet bedonderd worden. Mijn moeder, al die onzin die ze me probeerde bij te brengen… Nooit was er bij haar sprake van enige twijfel. Haar geloof was zo rigide, zo strak, er werd niet over nagedacht, je moest alles klakkeloos aanvaarden. En dat kon ik niet. Als kind al niet. Dan zei ze dat ik op mijn grootvader leek, mijn gekke grootvader, en dat ik ook in het gesticht zou eindigen.”

Ze was wel intelligent, schrijft u.

„Heel intelligent, veel intelligenter dan mijn vader. Die was helemaal niet zo intelligent. Mijn moeder kon alles. Op de lagere school had ze alleen de hoogste cijfers. Ze had – haar moeder zei het ook – professor kunnen worden. Maar ja, ze was een meisje.”

Bent u anders over haar gaan denken door het schrijven van dit boek?

„Nee, ik wist het allemaal wel. Ook die dingen over mezelf, die benepen trekjes, dat wist ik wel. Het enige is, ik heb altijd erg van haar gehouden, maar door dit boek denk ik wel: misschien was ze toch een beetje onmogelijk. Ik durf het nu pas te bekennen. Mijn broer en zus hebben het gelezen en die zeggen ook: zo was ze, het klopt. Ze heeft een treurig leven geleid. Somber en treurig. Maar ja, dat hoorde bij het bestaan, pas na je dood werd het leuk.”