Ik ga niet in Nederland zitten huilen. Wat ben je dan voor man?

Miran Betwata uit Koerdistan bracht zijn jeugd door in Nederlandse asielzoekerscentra. Nu vecht hij in het leger van zijn oom tegen Islamitische Staat.

Miran kan iedereen een jeugd in een Nederlands azc aanraden: „Je komt uit je caravan met een bal. Binnen een kwartiertje heb je drie teams.”

Miran Betwata (23) kan iedereen een jeugd in een asielzoekerscentrum in Nederland aanraden. Het maakt je sociaal, multicultureel, en fysiek en mentaal sterk. Het is er gezellig. „Je komt uit je caravan met een bal. Beetje hooghouden. Binnen een kwartiertje heb je drie teams.”

Hij heeft twaalf jaar in asielzoekerscentra in Nederland doorgebracht, maar raakte uiteindelijk uitgeprocedeerd. Sinds een paar jaar is hij terug waar hij geboren is, in Koerdistan, Irak. Hij klinkt nog steeds Nederlands. Accentloos en vol Nederlandse anekdotes:

„Zwoegen op de fiets tegen de wind in de regen, dat is pas afzien. En dan ingehaald worden door een oma op een snelle Gazelle, terwijl jij een doos afbakstokbroden recht probeert te houden op je bagagedrager met aan je fietsstuur zware Aldi–tassen. Mensen schaamden zich daarvoor. Ik niet. Ik zag dat als training.”

De tien kilometer op de fiets van het asielzoekerscentrum in Markelo naar de Aldi in Rijssen en terug hield hij vol door stoïcijns door te trappen en aan zijn doel te denken. In het scenario mét een verblijfsvergunning was dat een functie in de Nederlandse landmacht. Zonder status in Nederland de peshmerga in Iraaks Koerdistan.

Inmiddels staat zijn Facebook-prikbord vol foto’s van Miran in camouflagepak. Meestal met een rode baret en een zonnebril met spiegelende glazen. Miran Betwata vecht in het leger van zijn oom tegen Islamitische Staat (IS). Net als de meeste van zijn broers, neven en andere mannen in zijn uitgebreide familie.

Zijn oudere broer Aza Nawzad Anwar (24), die wel in Nederland mocht blijven, besloot in juni, toen IS oprukte richting Koerdistan, per onmiddellijk te stoppen met zijn studie sociaal cultureel werk in Doetinchem en bij de peshmerga te gaan. Op dat moment bestond zijn militaire ervaring uit ‘paintballen en af en toe een hindernisbaan met vrienden voor de lol’. Over het gebrek aan training voordat Miran en Aza bij de peshmerga kwamen zei hun oom, de peshmerga-generaal: „Een eend komt uit een ei en gaat toch ook gelijk het water in?”

Op zijn negende naar Nederland

In de wijk Betwata in Erbil, de hoofdstad van de autonome Koerdische regio in Irak, lopen mannen met wapens tussen ruime panden met marmeren platen tegen de gevel. Miran, een pezige spriet met grote, donkere ogen, laat de straat zien waar zijn familie woont. Hij groet eerst een neef, dan een broer, dan zijn zwagers. De meesten hebben Nederlandse paspoorten. Hij niet. Hij kwam op het mbo in de problemen doordat hij vocht en raakte uitgeprocedeerd doordat hij een strafblad kreeg.

In het meest linkse pand van de vier wonen zijn zus en haar man met hun kinderen. Naar rechts staan drie appartementengebouwen, waarvan twee nog in aanbouw. Elke gevel heeft een letter: N, A en R. Het zijn de initialen van Nawzad Anwar Rashied, Mirans opa en wijlen het stamhoofd van de Xoshnaw, de op een na grootste stam van Koerdistan. Miran heeft een appartement in gebouw R gekregen, hij woont er sinds hij kort geleden met zijn nicht is getrouwd. Zijn vader woont met een van zijn drie echtgenotes boven hem. Een broer heeft de verdieping daarboven.

De wijk Betwata in Erbil is een groep van zo’n driehonderd huizen waar de harde kern van de Xoshnaw-stam woont. De toegang wordt bewaakt. In totaal wonen er 1.500 tot 2.000 mensen. Ommuurd is het niet. Dat hoeft niet. Alle fitte mannen zijn peshmerga. Als er iets gebeurt staan ze in twee minuten buiten.

Een neef, Shwan, heeft op een hoek van de Betwata-wijk een eetcafé geopend dat ‘Peshmerga’ heet. Het is Amerikaans gestyled, met vooral pizza’s op het menu. Op het terras discussiëren de neven en broers over de vraag of water of benzine goedkoper is in het olierijke woestijnland. Voorlopige conclusie op basis van een paar rekensommen op servetjes is dat water duurder is.

Miran was drie of vier toen zijn vader met zijn vrouwen en kinderen naar Turkije vertrok. Toen Miran negen was gingen ze naar Nederland en vroegen daar asiel aan. „Ik kon me Koerdistan helemaal niet herinneren”, zegt hij terwijl hij de tuin van de wijk laat zien. Het is een soort kinderboerderij met een zwart-wit kalf en kalkoenen. De hokken en het veldje worden onderhouden door een man uit Bangladesh die in een portacabin woont. „Dat is zijn azc”, wijst Miran op de wooncontainer. „Wij zijn zijn COA.”

Zwager Marijan, getrouwd met een van de zussen van Miran, wijst op de portacabin. „We hebben met vier mensen zeven jaar in zo’n kamer gewoond. Het COA vroeg me steeds hoe ik aan mijn auto kwam. Dan zei ik: ik ben een politiek vluchteling, niet economisch.”

Koerdische royalty

Nawzad Anwar Rashied liet vier zonen na, onder wie Mirans vader Nawzad en zijn oom de peshmerga-generaal. Stamhoofden vormen het Koerdische equivalent van adel. Dit is Koerdische royalty. De vader van Miran heeft drie vrouwen en 21 kinderen. Voor zijn vader naar Nederland ging, had hij een Mercedes en een helikopter, schept Miran op. Dat was voordat hij problemen met Saddam Hussein en een heleboel andere machtige mannen in Irak kreeg. >>

>> Rijk en machtig of niet, vader Nawzad kreeg ook geen verblijfsvergunning. Hij is afgewezen onder artikel 1F. Dat is een categorie voor mensen die geen bescherming krijgen, omdat ze waarschijnlijk zelf oorlogsmisdaden hebben begaan. „Een aantal mensen heeft leugens over me verteld”, zegt hij daar zelf bitter over. „De IND is slecht. Die hebben alles gedaan om mijn leven moeilijk te maken.” Hij keerde in 2011 terug naar Koerdistan.

Vanaf het moment dat ook zijn vader weer in Koerdistan was, veranderde Mirans leven. Hij had daarvoor weinig omhanden en woonde in een rommelige kamer. Met zijn vader kwam het respect, een baan als lijfwacht van zijn oom en inmiddels een ruim en luxe eigen appartement. Gekregen van zijn vader. Hij is net getrouwd met een van zijn nichtjes, Arwand. Ze is een verlegen meisje dat haar blik neerslaat en zich achter de deur verstopt als ze opendoet.

Miran: „Mijn moeder zei: ik heb iemand voor je op het oog. Dat was de dochter van haar zus. Ik zei: die wil ik wel even zien. Ze was netjes. Ik zei ‘goed’. En zij ook.”

Netjes? „Een echte vrouw. Als een man niet thuis is en de vijand komt, dan schiet ze zichzelf en de kinderen dood. Dat is dan beter dan onder de vijand komen. Ik zag haar en wist gelijk: zij is echt zo iemand. Dan heb ik liever haar dan iemand in strakke kleren, op hoge hakken en iedere dag vragen ‘ik wil zus en ik wil zo’.”

Daags na de bruiloft krijgt Miran voortdurend plaagstoten van mannelijke familieleden die zeggen dat ze hem opvallend weinig buiten hebben gezien.

In Nederland liepen ze geen gevaar

Vader Nawzad, de vader van Miran, zit met een paar andere mannen in een hoefijzerkring op een pleintje middenin de wijk, een paar persoonlijke beveiligers houden hem van een afstandje in het oog. Hij draagt een traditioneel Koerdisch kostuum, de rank oe chogar, met een doek om zijn hoofd gewikkeld (de djamadani) en een pistool in de band om zijn buik (pishdend). Zijn vingers spelen met de kralen van een bidketting. „Hier ben ik niet veilig. In Nederland kon ik lekker helemaal in mijn eentje in mijn pyjama naar de winkel.”

„Ik heb tien jaar van mijn leven weggegooid in Nederland. Mijn familie werd er uit elkaar gehaald. Mijn zoon zat in de ene stad. Mijn dochter in de andere. Ik heb er veel verdriet gehad, maar ik zal Nederland nooit haten. Iedere Nederlander die hier komt en iets nodig heeft, zal ik helpen. Wij hebben daar gegeten, mijn kinderen zijn daar naar school gegaan.” De Koerdische royalty woonde tien jaar lang overal. In Markelo, Ulrum (provincie Groningen), Maastricht, ’s-Gravendeel.

Zijn kinderen mogen zelf tussen Nederland of Koerdistan kiezen, zegt hij. „Dat heb ik uit Nederland overgenomen. Ik zou ze kunnen dwingen, maar dat doe ik niet. Een aantal studeert nog. Ze zijn daar erg gewend. Maar ze willen hier trouwen en een vrouw halen.” Zijn mobiel gaat. Hij luistert zwijgend. Het is zijn broer de generaal. Die meldt vanaf het front dat een van de stamleden is gesneuveld bij een explosie. Of Nawzad de stam op de begrafenis kan vertegenwoordigen en ervoor kan zorgen dat het lichaam naar huis komt.

Nawzad zit in de oliehandel en in meel. Hij laat nu zes panden met ieder drie appartementen bouwen. Voor iedere zoon een, en een voor ieder van zijn drie echtgenotes. „Als ik een verblijfsvergunning had gekregen wilde ik in Nederland twaalf zulke flats voor mijn zonen. Maar die weg werd mij afgesloten. Mijn kinderen zouden dan ook de kinderen van Nederland zijn. Ik zou ook gewoon belasting betalen. We hadden niets van Nederland nodig gehad.” Zijn voorkeur ging uit naar Barneveld, waar zijn zoon Mohammed woonde voor hij een half jaar geleden ook naar Erbil kwam met zijn gezin. Lekker centraal, zegt de stamleider. En rustig en groen.

Negentig kogels

De mannen die niet thuis zijn, zitten aan het front. Mirans broer Aza vertelt ’s avonds telefonisch hoe het gaat. Hij zit in een verlaten huis in de buurt van de dam van Mosul. Het is donker. De peshmerga proberen zich te vermaken. De een zingt. De ander speelt een spelletje op Facebook. Aza belt met vrienden in Nederland. De nacht hiervoor is hevig gevochten. „We hebben een dorpje teruggepakt. Ze vielen langs de hele linie aan, maar behaalden geen overwinning.”

Het paintballen in Doetinchem is ver verleden tijd. „Ik heb nu de sniper van Miran bij me en negentig kogels. Als ik er daarmee negen neerhaal ben ik al heel tevreden. één op tien. Weet je, er wordt zo veel geschoten, zo veel kogels. Je weet niet wie wat raakt. We moeten ze gewoon blijven bestoken.”

De beslissing was snel en impulsief, maar de juiste, zegt hij stellig. „Mijn oom, mijn neven, mijn hele stam is aan het strijden en ik zit dan rustig in Nederland? Die beelden van vrouwen en kinderen bedreigd en hongerig in de bergen deden het. In 1991 was ik dat als baby van zeven maanden. Ik heb dat overleefd. Het voelt alsof ik mijn leven heb gekregen om iets terug te doen. Dan ga ik niet in Nederland zitten huilen. Wat ben je dan voor man. Als je kunt kiezen tussen een eervolle dood of ouderdom ga ik voor eervol.”

De stap terug naar Koerdistan is definitief, denkt hij nu. Dat laatste half jaar studie laat hij zitten. Ook zonder diploma komt dat van pas. Bijvoorbeeld om te helpen met het verwerken van trauma’s bij jongeren. „Zodat ze niet steeds bang zijn.” Hij heeft ook veel kritiek op Koerdistan, maar niet voor in de krant. „Het voelt alsof ik thuis ben gekomen.” <<