Hebzucht in de popmuziek

De taak van de muziekindustrie is eenvoudig te omschrijven: zorg ervoor dat een onbekend liedje zo snel mogelijk klinkt als een bekend liedje want daar willen mensen voor betalen. Voormalig manager Simon Napier-Bell beheerst die kunst: hij was betrokken bij de carrière van Dusty Springfield, en bij die van bands als T-Rex, The Yardbirds, Japan, Ultravox en Wham! In het ene geval (Wham!) was het eenvoudiger om iets nieuws bekend te laten klinken dan in het andere (Japan), maar hij wist altijd wel methodes te bedenken waardoor mensen gingen luisteren.

Wanneer zo’n vakman over zijn werk schrijft, verwacht je dat hij gaat opscheppen over zijn successen. Maar dat is in Ta-ra-ra-boom-de-ay van Napier-Bell niet het geval, sterker nog: hij komt zelf nauwelijks in het boek voor, alleen in de epiloog vertelt hij kort over het begin van zijn carrière. Nu had hij dat al wel in eerdere boeken gedaan, maar hier is het hem duidelijk te doen om wat anders: ondanks de olijke titel is Ta-ra-ra-boom-de-ay een behoorlijk serieuze geschiedenis van de zakelijke kant van populaire muziek.

Serieus betekent overigens zeker niet saai: Napier-Bell schrijft met een geweldige vaart, een karrenvracht aan compleet vanzelfsprekend gespuide kennis, en vooral een groot inlevingsvermogen, want wat Ta-ra-ra-boom-de-ay zo leuk maakt, is dat hij het verhaal van de muziekindustrie vanaf het vroegste begin in de achttiende eeuw vertelt op een toon alsof hij er zelf bij was. Van de eerste copyright-wet uit 1710, de verbazing van de mensen die Edisons fonograaf hoorden, de ergernis van Giaccomo Puccini toen hij erachter kwam dat hij níéts verdiende aan het feit dat zijn aria’s in elk café werden gezongen, het moment dat Irving Berlin zich realiseerde dat het een stuk eenvoudiger is om een liedje af te maken wanneer je zelf de tekst schrijft: Napier-Bell schrijft het allemaal zo levendig op dat je de verbazing en het enthousiasme van de figuren in zijn boek moeiteloos deelt – en dat het allemaal net zo bekend klinkt als de anekdotes over gesloopte hotelkamers en grotesk drugsgebruik door hardrockers in de jaren zeventig en tachtig.

Bordeel

De manier om met muziek geld te verdienen veranderde voortdurend. In de tijd van de bladmuziek werden liedjes verspreid door ze iemand in een café of op straat te laten zingen: de artiest was weinig meer dan de promotor. Als een liedje ‘in de goot te horen was’, was het een succes: ‘Ta-ra-ra-boom-de-ay’ werd opgetekend door Henry J. Sayers – hij componeerde het niet, maar schreef het wel op nadat hij het in een bordeel had gehoord. De problemen van de muziekindustrie waren vroeger soms verrassend vergelijkbaar met die van nu. De piraat van toen schreef bladmuziek gewoon over om de papiertjes goedkoper te slijten.

Radio nam de rol van verspreider over: orkesten werden betaald om bepaalde muziek uit te voeren en de rol van uitvoerder werd belangrijker, onder meer omdat de microfoon meer intimiteit wist op te roepen. De energie van een uitvoering was niet over te brengen op papier en daarom werden uitvoerende artiesten de helden, in plaats van de schrijvers. Je ziet de dollartekens in de ogen van de mensen rondom Frank Sinatra toen ze zich realiseerden dat al die meisjes voor de zanger kwamen. Het is niet je eerste associatie bij ‘Ol’ Blue Eyes’, maar Sinatra markeert de overgang van populaire muziek als een liefhebberij van volwassenen tot iets voor jongeren.

Vanaf dan wordt de studio steeds meer een instrument, de geluidsdrager het medium voor het liedje, en in de jaren zeventig en tachtig was popmuziek een lucratieve business als nooit tevoren. Tenminste: voor labels en uitgevers, want een andere fascinerende constante is de manier waarop artiesten overgeslagen werden bij het verdelen van de buit. Napier-Bell legt dit zo helder uit dat je je afvraagt hoe het mogelijk is dat iedereen er steeds weer intuinde. Dit komt doordat de muziekindustrie een combinatie is van ‘hebzucht, corruptie, eigenbelang en plezier’, zoals hij monter vaststelt.

Scheldpartijen

Ta-ra-ra-boom-de-ay is enorm rijk; het verhaal van de muziekindustrie heeft veel maatschappelijke raakvlakken. Zo vertelt Napier-Bell ook het verhaal over het racisme dat in de geschiedenis van de muziekindustrie voortdurend een rol heeft gespeeld. In het begin van de twintigste eeuw waren coon songs populair, waarbij zangers in black face afgrijselijk racistische teksten zongen voor een blank publiek, dat op die manier rijp werd gemaakt voor, nota bene zwarte muziek, namelijk jazz. En dan is er Elvis – die er weinig aan kon doen dat hij een melkkoe was omdat hij het geluid van een zwarte zanger uit een blank lichaam kon laten komen, maar ook hier mocht een blanke ster zwarte muziek over het voetlicht brengen. Een andere mooie anekdote: de term Rhythm & Blues werd bedacht door Atlantic-platenbaas Jerry Wexler, die geen zin meer had in de term ‘race records’. Michael Jackson wilde liever blank zijn, nadat zijn meesterwerk Off the Wall werd genegeerd voor de Grammy awards. Het verhaal over racisme in de muziek loopt tot en met gangsta-rap: ‘een spel waarvan de kids de regels begrepen, maar hun ouders niet.’

Misschien dat Napier-Bell zich soms wel heel erg in details verliest, maar dat vergeef je hem makkelijk. Het zíjn mooie verhalen, over scheldpartijen tussen platenbazen, de onzin die in reclame werd verkocht, de hebzucht die leidde tot het vrijwel verdwijnen van klassieke muziek bij grote labels. Weinig bedrijfstakken zijn zo onzakelijk als de muziekindustrie. Niet verbazingwekkend dat de boel zo enorm is ingestort, maar zoals Napier-Bell laat zien: er valt nog steeds geld mee te verdienen, op dit moment door bedrijven als Apple, Spotify en Grooveshark. Zij beschikken op dit moment over de juiste verhouding van hebzucht, corruptie, eigenbelang en plezier.