Geldpers is wapen in de valuta-oorlog

Prachtig, die stijgende koersen. Maar die zijn vooral het gevolg van een race tussen centrale banken om zoveel mogelijk geld te scheppen.

Op een haar na tien procent, zo hard is de AEX-index dit jaar al omhoog gegaan. Met 465 punten is de index nog verwijderd van vorige hoogtepunten – met name de piek boven 700 punten in 2000. Maar de total return-index van de AEX, waarbij het uitgekeerde dividend zou zijn herbelegd, is al hoger dan het record van destijds. Zodat met een beetje fantasie mag worden gesteld dat de Nederlandse beurs een all time high heeft bereikt. Met een meevallende economische groei in Nederland (en Duitsland), een lage olieprijs én een sterk gedaalde euro hebben aandelen de wind sterk in de rug.

Het lijkt te mooi om waar te zijn. En misschien is het dat ook wel. Want de vermogenswinsten worden behaald op de bagagedrager van een ongekend ruim monetair beleid. Of, in het geval van Europa, het voornemen daartoe, waarop door beleggers al vol wordt geanticipeerd. De ECB zal tot en met september 2016 tenminste 1.040 miljard euro aan aankopen doen, vooral van staatsobligaties. Zij roomt daarmee langlopend kapitaal van de financiële markten af, en zet dat om in kortlopend geld dat zij ervoor teruggeeft.

‘Ongewild’ bijeffect

Officiële reden: het aanjagen van de binnenlandse vraag, het op gang brengen van de kredietverlening en het opjagen van de inflatie die met name door de gekelderde olieprijs in januari blijkt te zijn gedaald tot -0,6 procent in de eurozone. Bijeffect: een daling van de euro ten opzichte van andere valuta’s. Want als je een interne geldontwaarding (inflatie) teweeg wil brengen door meer geld in omloop te brengen, dan veroorzaak je in de regel ook een externe geldontwaarding: een depreciatie tegenover andere valuta’s.

Het probleem is dat dit moeilijk kan in isolement. Allereerst zijn er neveneffecten bij landen die de euro proberen te schaduwen. Die ondernemen steeds driestere actie. Eerst was er de schok van de Zwitserse centrale bank die de franc omhoog liet schieten terwijl de rente naar negatieve waarden werd verlaagd. Toen volgde de Deense centrale bank en donderdag was het de beurt aan de Zweedse Riksbank. De laatste twee proberen hun munt wanhopig de dalende euro te laten volgen – hoewel ook hiervoor binnenlandse redenen werden aangehaald.

Amerikanen met kort geheugen

Daar blijft het niet bij: in Azië, van Australië tot Singapore, van India tot Japan, wordt het monetaire beleid steeds ruimer. Alweer: vooral uit binnenlands oogpunt. Maar het effect is hetzelfde: het wegnemen van opwaartse druk op de eigen munt, of het bewerkstelligen van een daling.

Het Aziatische beleid heeft te maken met de sterk stijgende Amerikaanse dollar – de enige munt die op dit moment ongehinderd aan waarde wint. China zou eveneens een daling van de eigen valuta, de renminbi, wensen. Maar angst is dat dit een ongekende kapitaalstroom naar het buitenland op gang brengt.

Er zijn enorme bedragen (de schattingen gaan tot 1.000 miljard dollar) geïnvesteerd in de zogenoemde Chinese carry trade. Daarbij leenden beleggers in laagrentende valuta’s (bijvoorbeeld de yen) om die in hoger rentende valuta’s (de renminbi) te beleggen. Een daling van de Chinese munt zou hen grote verliezen opleveren waarna zij massaal de uitgang zoeken. En dat kan China, dat al vreest voor een implosie van de opgeblazen waarden van met name vastgoed, niet aan.

Laat over: de Amerikanen. In het Congres wordt steeds luider geklaagd over de hoge waarde van de dollar, en wordt gedreigd met maatregelen tegen landen die hun valuta manipuleren. De hoge dollar zou de Amerikaanse centrale bank er zelfs toe kunnen verleiden later dan nu gedacht (rond juli van dit jaar) te beginnen met het opschroeven van haar nulrente.

Washington lijkt te zijn vergeten dat de VS kort na het uitbreken van de Lehman-crisis zelf als eerste het zeer ruime monetaire beleid begon. Dat leidde tot een forse daling van de dollar die de Amerikanen goed uitkwam, maar ook werd verkocht als onbedoeld bijeffect van een binnenlands monetair beleid. Het is te zien in de grafieken hiernaast, die de reële effectieve wisselkoersen weergeven: die tegenover de munten van de handelspartners, gecorrigeerd voor inflatie.

‘Concurrerende geldschepping’

Waar zijn we dan nu? Steeds vaker wordt gesproken van een valuta-oorlog, in de geest van de concurrerende devaluaties tijdens de Grote Depressie van de jaren dertig. Misschien is het in dit stadium beter om het voorlopig een geld-oorlog te noemen. Er is geen goudstandaard zoals destijds met formele wisselkoersen. Strikt gezien zijn ‘devaluaties’ dus niet aan de orde. ‘Depreciaties’ zijn dat wel. Maar omdat die nog steeds worden gerechtvaardigd als een neveneffect van binnenlands monetair beleid, kan misschien beter worden gesproken van een ‘geldoorlog’. Concurrerende devaluaties à la de jaren dertig moeten voorlopig worden omgedoopt tot de Tompoezerige titel ‘concurrerende geldschepping’. Met hetzelfde gevolg.

Grote vraag voor het internationale overleg dat de komende tijd ongetwijfeld volgt: gaat het hier om een spel waarbij de winst van de een het verlies van de ander is? Of hebben we, door de vraagstimulering die het monetair beleid beoogt, er netto toch allemaal iets aan? Geen idee nog. Maar het antwoord zal niet al te lang op zich laten wachten. Op de beurzen, wellicht.