Een krant kan niet zonder clichés – maar minder mag

Tikt de tijdbom overal, ergens of nergens, zoals hij thuis tikt? Een collega uit Suriname maakte me erop attent dat NRC Handelsblad wel een ontzettend bange krant moet zijn. Hij had de uitdrukking „tikkende tijdbom” (over een reeks van jaren) gezien in koppen over sloppenwijken, gasleidingen, Zuid-Soedan, mutaties in mitochondriën, falende inburgering, overvoeding, ondervoeding, de vliegtaks, en de kwestie Israël-Palestina. Zelfs een keer over „de wereld” (De wereld is een tikkende tijdbom – met een lange lont, 1 februari 2013). Waar zijn we nog veilig, vroeg hij. Oud-Zuid?

Tikje flauw – want die falende inburgering dateert alweer uit 2008 en de sloppenwijken uit 2006. Kennelijk nóg niet ontploft. En, erkent hij, de tijdbom tikt ook volop in andere kranten.

Maar toch. Ik kwam de ‘tikkende tijdbom’ in 2014 ook tegen voor jihadisten („Niet iedere jihadist is een tikkende tijdbom” – gelukkig), bouwbedrijf BAM, de Schilderswijk, Samir A., jeugdwerkloosheid in Brussel, vervuilde xtc, een computerschijf van de NZa, een doodvonnis in Egypte (curieus) en de PVV. Flinke score.

Is dat erg?

Het kan in elk geval geen kwaad om te waken voor uitdrukkingen die zo versleten zijn dat ze niets meer zeggen. De Columbia Journalism Review inventariseerde onlangs clichés in de Amerikaanse journalistiek. Waar lezers de meeste hekel aan hebben: arguably, te vertalen als „waarschijnlijk” of „mogelijk”– dus er valt wat voor te zeggen, maar het is ook te betwisten. Kortom, een woord dat zoveel slagen om de arm houdt, dat je er niets mee opschiet.

Dat lijkt me het punt. Ook lezers van NRC Handelsblad storen zich, is mijn indruk, niet per se aan standaarduitdrukkingen of clichés, maar wel aan vaag of gemakzuchtig taalgebruik, staande uitdrukkingen of metaforen die de indruk wekken dat de journalist het eigenlijk ook niet precies weet of wil uitleggen.

Voorbeeld: nrc.nl meldde onlangs dat het „de zoveelste keer in korte tijd” was dat „de hoofdstad wordt opgeschrikt door een schietpartij’’. En nog eens: „Het is de zoveelste schietpartij in de laatste weken.” Ook van de site, diezelfde dag: „Het is de zoveelste keer dat Aziatische luchtvaartmaatschappijen betrokken zijn bij ongelukken.” (Taiwanees vliegtuig stort in rivier, 4 februari).

Ja zeg, kan dat niets eens ophouden, dat neerstorten van Aziatische toestellen? Maar de feitelijke vraag is natuurlijk: de hoeveelste keer was het dan, in hoeveel tijd? Vergelijkbaar: „steeds meer”, gebruikt om een al dan niet omineuze ontwikkeling te signaleren.

Andere versleten uitdrukkingen die redacteuren zelf aandroegen: een „iconisch beeld”; een „historisch moment”, een „prestigieuze prijs”, gesprekken „aan de keukentafel”. De telefoon die „roodgloeiend” staat – hoewel dat nog wel een zekere cultuurhistorische waarde heeft, in het mobiele tijdperk. Ook berucht: koppen die variëren op Fassbinders drieslag met ‘het vuil, de stad en de dood’ (1975/1987). Afgelopen dinsdag gesignaleerd: Netanyahu, Iran en het Armageddon. Geen tikkende tijdbom, maar Armageddon is ook niet niks.

Maar clichés – het woord komt uit het Frans, voor een onderdeel in het drukproces – zijn ook een kwestie van stijl of compositie. Eerder schreef ik al eens over de ‘rondlopende’ reportage: we maken kennis met een Mens, daarna volgen feiten en analyse, en dan sluiten we weer af met een (meewarig of juist monter) commentaar van de Mens.

Of neem de ontnuchtering na een daverende aanhef. Fictieve eerste zin: „In Nederland zal geen steen op de andere blijven.” Je zit meteen rechtop. Maar dan: „Althans, als het aan de 19-jarige scholier ligt, die een opstel schreef over…” We zakken maar weer onderuit.

Dan zijn er nog de amerikanismen. Vooral op televisie te horen („De Koerden controleren nu het grootste deel van de stad”), maar soms duiken ze ook in druk op: „Maak kennis met..” Of: „voor nu” (for now) in plaats van „voorlopig”.

Redacteuren Peter Leijten en Jochen van Barschot legden voor de redactie een semiludieke lijst aan van ‘verboden clichés’, die door Friederike de Raat werd opgenomen in haar taalboekje Hoe bereidt je een paard (2012).

De lijst van dat clichéfobe duo telt 265 woorden en uitdrukkingen, van ‘Hollands Glorie’ en ‘doorn in het oog’ tot ‘van het kastje naar de muur sturen’, ‘handen en voeten geven’, ‘onderhandelingen vlot trekken’, ‘de batterij opladen’ en ‘tot op het bot gaan’.

Geen echte ‘verboden’, eerder collegiale suggesties. Gelukkig maar, want dit is de keerzijde: clichés volledig uitbannen lijkt me een illusie en ook niet nodig.

Wat is er bijvoorbeeld mis met gebrandmerkte uitdrukkingen als ‘het spoor bijster zijn’ (gebeurt mij geregeld) of ‘aan de schandpaal nagelen’ (idem)? Wat zou een onderzoeksjournalist moeten beginnen zonder het woord ‘concept’? Of de Haagse redactie zonder ‘beleidsmaatregelen’ of ‘draagvlak’?

Zoals een ervaren collega in een geestige reactie op die lijst schreef: wat is er mis met een goed gekozen cliché op zijn tijd, „als het de werkelijkheid met een bekende, en dus herkenbare metafoor in één klap begrijpelijk kan maken”? Of „verbeelden we ons dat we hier literatuur maken, in onze kantoortuin?”

Een krant moet waken voor bloedeloos fabrieksproza, maar aan beursberichten of diplomatieke analyses in joyceaanse, innovatieve, burleske of bizarre taal hebben we ook niet veel, behalve misschien om Wall Street of de EU op te blazen.

Journalistiek taalgebruik moet concreet zijn, feitelijk en helder; het doel is informatie over te brengen, liefst in een niet-proustiaans tempo. Standaarduitdrukkingen kunnen dan helpen. Het gaat erom dat ze werken en geen loos draaiende radertjes in de machinerie zijn.

Om dat laatste te toetsen, is die lijst van Leijten en Van Barschot wel heel nuttig – en daarom zou een versie ervan een plaats verdienen in het Stijlboek van de krant, dat nu alleen een ultrakort lemma heeft over het gebruik van clichés.

Om dat handen en voeten te geven, als het ware. Voor nu.