Eau de vie fantasie

Zelf sterke drank stoken. Het mag niet, maar het gebeurt wel. En het was nog nooit zo makkelijk.

Hobbystokers van eau de vie zijn vaak mensen met een tuin met fruitbomen daarin. „De gemakkelijkste manier om tien kilo fruit naar huis te dragen is in een flesje eau de vie”, zei een stoker eens. Foto David Galjaard

Iets feestelijks meebrengen voor iemand. Ik dacht aan heerlijke elzassische eau de vie: fraises, vieille prune, mirabelle – de namen alleen al. Heldere kleine glaasjes met een intense fruitsmaak en een pittig alcoholpercentage. „Wat voor eau de vie heeft u?”, vroeg ik bij voorbaat verlekkerd aan de slijter. De jongen achter de toonbank keek me glazig aan. Odevi? Hij had 45 verschillende merken whisky. Dat wel.

Eau de vie (levenswater, de naam zegt het al) is helder als water, heeft een alcoholpercentage van rond de 45 procent en wordt gemaakt van fruit.

Een drankstoker zei eens: „De gemakkelijkste manier om tien kilo fruit naar huis te dragen is in zo’n flesje.” Maar hoe kom je aan zo’n flesje?

Natuurlijk is eau de vie wel te krijgen. Er zijn de geweldige heren Lubberhuizen en Raaff die hun onnavolgbare eau de vie’s stoken op de Betuwe. Maar zij zijn maar een kleine stokerij en hun productie is niet heel hoog.

De firma Rutte uit Dordrecht maakt ook eau de vie. Als je bij een gespecialiseerde slijter komt, hebben ze nog wel eens een flesje staan.

En je zou zelf kunnen stoken.

„Het is fantastisch voor de AOW-trekker”, zegt een zelfstookster stralend. „Op een dag dacht ik: die jenever wordt almaar duurder. Kan ik niet zelf iets bedenken?” Ze verdiepte zich in de materie en jawel, ze bedacht van alles zelf. Met verrukkelijke vloeibare resultaten.

Maar dat mág toch helemaal niet?

Nu ja, eh nee.

Wijn en bier maken mag wel. Sterke drank, dat wil zeggen alles boven de 15 procent alcohol per liter, mag in de praktijk niet. Daarover moet accijns worden betaald.

Er zijn vergunningen aan te vragen bij de douane. Maar daarvoor moet je a. ondernemer zijn en ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. En b. de vergunning wordt niet afgegeven wanneer er vanuit de stookruimte (de ‘accijnsgoederenplaats’) rechtstreeks aan de verbruiker geleverd wordt. Als je de verbruiker zelf bent, is de kans dat je een vergunning krijgt dus niet groot. Wie desondanks een vergunning heeft weten te regelen, moet van alles wat er gestookt wordt administratie bijhouden en over elke liter zelfgestookte alcohol accijns betalen: bij een liter jenever van 40 procent alcohol betaal je 6,80 euro accijns.

Vandaar dat degenen die wel iets wilden vertellen over het zelf stoken, liever niet met hun naam in de krant komen: de mogelijke boetes zijn hoog. Al lijkt het erop dat hobbystook min of meer gedoogd wordt, er is geen gedoogbeleid. Dus hangen degenen die in schuurtjes hun fruit vergisten en destilleren dat niet aan de grote klok.

De hobbystokers zijn vaak mensen met een tuin met fruitbomen daarin. Mensen die graag zelf iets doen, graag knutselen of koken of tuinieren. En natuurlijk lusten ze ook wel een borreltje, anders begin je er niet aan. Degenen die ik sprak, drie stuks, zijn ook nog eens in de pensioenleeftijd. Dat kan toeval zijn. Een van hen vertelde dat hij dacht uniek te zijn, maar dat hij er na een poosje achter kwam dat overal in zijn dorpje de pruimen en de appels in vuurwater veranderden.

Professor Brouwer

In Het volkomen stookboek van professor J.W. Brouwer V.S.O.P., oorspronkelijk verschenen in 1991 en onlangs voor de vierde maal op nieuw uitgegeven door uitgeverij Bas Lubberhuizen, kun je precies zien wat je zou moeten doen als je alcohol zou gaan stoken. De professor, wiens naam sterk het vermoeden van een pseudoniem oproept, is een echte expert.

Je zou, als je eau de vie zou willen maken, kunnen beginnen met een eenvoudige vruchtenwijn te produceren, bijvoorbeeld van eigen appelen. Iemand die vroeger graag zelf stookte, hij is al jaren gestopt („Ik heb voldoende drank voor de rest van mijn leven”), vertelde dat hij in een goed jaar wel 1.200 kilo appelen had van zijn boomgaardje. Een goede appelboom geeft ongehoord veel appels. Die appelen gooide hij dan door de houtversnipperaar en hij deed de pulp vervolgens in plastic vaten van zo’n 200 liter. Daar ging gist bij, de vaten werden afgesloten met een waterslot en bleven dan ongeveer zes weken staan. De appelwijn die zo ontstond, werd vervolgens verstookt tot eau de vie.

Maar je zou ook, in plaats van met zware vaten vol appelpulp te sjouwen, of met hevelslangen de appelwijn over te brengen in een stookketel, een eenvoudige limonadesiroop kunnen maken van het fruit. Dat doet een andere stookster, zij overgiet fruit of bloesem, vlierbloesem bijvoorbeeld, met kokend water, lost flink veel suiker op in de vlierbloesemthee en laat die siroop vergisten tot lichte wijn. Die ze dan vervolgens destilleert om, het woord zegt het al, ‘gedestilleerde drank’ te verkrijgen.

Dat levert een ongelooflijk heerlijke vlierbloesem eau de vie op, na rijping. Want de gestookte alcohol moet eerst nog wel een poosje tot zichzelf en zijn smaak komen, bij voorkeur enkele maanden.

Wie denkt: ik zie straks wel wat voor smaak ik aan mijn alcohol geef, zou ook gewoon met water, suiker en gist alcohol kunnen maken. Die smaakt dan naar niets, maar als je een ketel zou hebben, zou je daar kruiden en specerijen in kunnen doen en die mee kunnen stoken, voor de smaak. De zo gekruide drank kan dan, voor nog meer smaak, in een eikenhouten vaatje worden opgeslagen en daarin tenminste een half jaar, maar beter nog een jaar, op smaak komen. „Daar wordt je drank zachter door, en misschien iets zoeter. Het wordt niet meteen houtig, pas als je het lange tijd laat staan”, zo verzekerde ons een thuisstoker, die door steeds te proeven de smaak in de gaten houdt.

De onontbeerlijke destillatieketel kan een handige man of vrouw zelf bouwen op aanwijzingen van professor Brouwer. Meestal is het een buikig vat met een lange slurf eraan, een alambic. Ik heb ze wel bij handige mannen in de schuur gezien. Onder die ketel stoken die mannen dan een vuur, net zo lang tot de alcohol in de vruchtenwijn begint te verdampen. Die verdampt eerder dan water, dus als je die damp koelt zodat ’ie weer vloeibaar wordt, en hem opvangt, heb je alcohol. Nooit helemaal zuivere natuurlijk, een zelfstoker komt meestal niet hoger dan 80 procent. Dat moet dan weer verdund worden tot onder de 45 procent. Met bronwater bijvoorbeeld.

Waterkoker

Maar wie thuis zou willen stoken, kan ook een soort flinke waterkoker gebruiken, die bedoeld is om water mee te destilleren. Zo’n ketel, de zogenaamde ‘pot still’, is minder ambachtelijk, maar wel veel eenvoudiger. Er hoeft geen buis door water heen geleid te worden, er komt geen gasbrander aan te pas om de ketel te verwarmen: de stekker in het stopcontact en de ketel regelt alles verder zelf, zowel het verwarmen als het koelen. Uit het tuitje druppelt de alcohol.

En word je dan niet blind, van de methylacohol? Dat hoor je mensen immers vaak zeggen. Welnee. Alle thuisstokers vangen de zogenaamde ‘voorloop’, ongeveer de eerste 1,5 à 2 procent van het volume, apart op en gooien die weg. Daarin zit de giftige methylalcohol. En daarna drupt er zuiver, hoogwaardig stooksel uit de ketel. Geurend naar fruit en bloesem. Smakend naar het leven zelf.

Wat een leuke hobby zou dat zijn!