Doe alsof je thuis bent

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

Oorlogen ‘bij volmacht’ worden niet gevoerd door soevereine staten maar door huurlingen, milities en terroristen die de belangen dienen van hun geldschieters en wapenleveranciers. In De terugkeer van het kalifaat [2] betoogt terrorisme-expert Loretta Napoleoni dat het islamitisch terrorisme zich heeft uitgebreid tot het terrein van natievorming.

In hun streven het regime in Syrië omver te werpen, zijn de Koeweiters, Qatarezen en Saoediërs bereid geweest onder andere IS te financieren. De leiders van Islamitische Staat hebben hiervan gebruik gemaakt om eigen territoriale machtsposities te bezetten.

De uitroeping van het kalifaat vormt nu een uitdaging voor de legitimiteit van alle landen met een overwegend islamitische bevolking, stelt zij. De traditionele veroveringsoorlog gaat hier samen met een nieuw model van natievorming. Het kalifaat wordt aan de soennitische massa’s in het Midden-Oosten gepresenteerd als alternatief voor de corrupte en genadeloze dictaturen in de kunstmatige staten die na de Eerste Wereldoorlog zijn opgericht door de Britten en de Fransen. Het kalifaat van de gangsterbende zou voor sommige moslims betekenen wat Israël is voor zionistische Joden, „hoe ontstellend en afschuwwekkend die vergelijking ook is.”

Het Nederlands Bijbelgenootschap bestaat 200 jaar en dat moet gevierd worden. Dat gebeurt in stijl: niet met een feestbundel, maar met doorwrochte geschiedschrijving door Fred van Lieburg, hoogleraar geschiedenis van het Nederlands protestantisme aan de VU. De wereld in [2] – ook de titel van een inmiddels opgeheven NBG-tijdschrift – vat samen wat de oprichters voor ogen stond: „de meerdere verspreiding van het zuiver licht des Evangeliums onder Volken bij wie hetzelve nog onbekend was en de meerdere gemeenmaking van dit zoo nuttige huisboek onder de mindere klasse des Volks.”

In het begin ging dit streven gepaard met de in protestantse kring niet ongebruikelijke rivaliteiten, later concentreerde men zich op vertaling en bijbelverspreiding. Evangeliseren was niet het doel.

Toch, ontdekte Van Lieburg, deed het NBG moeite voor uitbreiding van het christendom onder de Joden. Interessant is de rol van het NBG bij de vertaling van de bijbel in diverse Indonesische talen.

Ook treffend: „Bij de watersnoodramp van 1953 kon het NBG zich tegenover Nederland opnieuw van zijn beste kant laten zien. In de acute fase werden alle geëvacueerden (...) tijdelijk van Bijbels voorzien.”

Wie niet alle talen van de wereld machtig is, maar wel graag wereldliteratuur leest en dus is aangewezen op vertalingen, zal genieten van de essays van vertaler en hoogleraar Spaanse letterkunde en cultuur Maarten Steenmeijer. In Schrijven als een ander [3] laat hij aan de hand van talrijke voorbeelden zien wat de valkuilen zijn bij het vertalen van (literaire) teksten. Hij prikkelt je tot nadenken en soms tot betweterigheid. Bijvoorbeeld over een passage in een roman van Garcia Márquez, waarin iemand wordt ontvangen met de woorden: „Kom verder. Dit is jouw huis.” „Grammaticaal is hier niets op aan te merken”, schrijft Steenmeijer. „Toch schuurt het als je dit leest. Dit is jouw huis: zoiets zeg je niet als je iemand thuis ontvangt.”

Als alternatieven stelt hij voor: „Welkom”, „Wees welkom”, of „Welkom in mijn huis”. Maar waarom niet gewoon: „Doe alsof je thuis bent?” Dat is in elk geval de Nederlands uitdrukking die de Spaanse het meest benadert.

Weegschaal de aarde luidt de titel van het verzameld werk van de revolutionaire dichter Sonja Prins (1912 - 2009). Inmiddels is het vierde van de geplande zes delen verschenen: Gedichten 1977-1979[4]. Inleider Lidy Nicolasen, die in 2009 de biografie De eeuw van Sonja Prins: burgerkind, revolutionair, kluizenaar publiceerde, ontdekte dat Prins in 1977 geen enkel gedicht of verhaal schreef, vermoedelijk omdat ze doende was de zelfmoord van haar schizofrene dochter Lissa te verwerken. Pas vanaf 1978 uitte ze zich daarover, zoals in het gedicht ‘Aan mijn dochter, die stierf’: „zij was als ijzer/ dat gebroken was/ dat niet bewegen kan/ stroom die niet past/ en uit zijn bedding loopt/ leven en zijn/ gemist.”

Sonja Prins debuteerde in 1933 met modernistische, politiek geëngageerde poëzie, die door toonaangevende critici positief werd ontvangen. Als lid van de Communistische Partij en verzetsstrijdster belandde ze tijdens de Tweede Wereldoorlog in het concentratiekamp Ravensbrück. Na de oorlog werd ze met haar experimentele poëzie wel met de Vijftigers vergeleken. Blijvend zijn haar meest persoonlijke gedichten. Mij spreken ze althans meer aan dan bijvoorbeeld het gedateerde ‘Barrières’ uit dit vierde deel, waarin ze over het feminisme in debat gaat met Joke Smit en Renate Rubinstein.