De premier weet ook: boos worden helpt niet bij hem

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Johan Remkes over de VVD, de premier en de kleine mystiek van het besturen. En: hoe de campagne ‘als een boemerang op Rutte kan terugslaan’.

Geen institutie zo kwetsbaar voor een jij-bak als de rijksoverheid. Bijna altijd hebben ze er plannen de maatschappij te hervormen. Meestal halen die het. Bijna altijd hebben ze er ook plannen de eigen wereld – het openbaar bestuur – te hervormen. Meestal falen die.

Een gevolg is dat we volgende maand, 18 maart, mogen kiezen voor provincies die het kabinet twee jaar terug nog wilde opdoeken. Ongemakkelijker kan amper: stemt allen voor onze achterhaalde provinciale staten.

Het regeerakkoord beoogde immers een opdeling in vijf bestuurlijke landsdelen: weg twaalf provincies. Anticiperend daarop zouden Noord-Holland, Utrecht en Flevoland alvast fuseren.

En het was Mark Rutte zelf die hiervan uitgesproken voorstander was, beaamde Commissaris van de Koning Johan Remkes toen ik hem deze week in Haarlem opzocht, in het schitterende provinciehuis van Noord-Holland.

Het interessante was bovendien dat het vooral provinciale VVD-bestuurders waren, Remkes voorop, die het plan van hun partijleider, in handen van Ronald Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA), wisten te demonteren.

Dit leek me een mooi uitgangspunt voor een gesprek met routinier Remkes (63). Over provincies, de VVD en, vooral, de kleine mystiek van het besturen: de kunst een hooggeplaatste collega-bestuurder, zoals de premier, een nederlaag te bezorgen zonder hem in beeld te brengen.

Remkes wist nu eenmaal een paar dingen van de nationale bestuurscultuur. De VVD’er werkte er sinds eind jaren zeventig in. Lokaal bestuur, provinciaal, nationaal: hij deed het allemaal. Een praktische liberaal, Groninger van geboorte, in de eigen gelederen vaak voor cruciale functies uitverkoren: van voorzitter van de JOVD (1975) tot en met vicepremier voor de VVD (2002, Balkenende I).

En een man vol anekdotes. Als vicepremier, vertelde hij, maakte hij „het absurde detail” mee dat LPF-minister Herman Heinsbroek (Economische Zaken), miljonair uit de muziekindustrie, hem losjes aansprak: „Ik wil iets met je regelen voor mijn Bentley.” Pardon? Remkes bulderde geluidloos. „Meneer dacht dat hij een aparte kilometervergoeding kon krijgen.”

Vijf jaar terug, zei hij, zag hij het kabinet-Balkenende IV ten val komen. Hij werkte, als Kamerlid en bestuurder, sinds 1994 in Den Haag, en de gedachte aan wéér een campagne – flyeren in Almere – trok hem niet meer. Het was mooi geweest.

Een „man van een tabaksfirma”, zei hij, deed hem zo’n typisch Haags aanbod: wilde hij hun lobbyist worden?

Hij trok er een vies gezicht bij. Niet dat hij bezwaren had tegen roken: in ons gesprek zat hij nog altijd shaggies (zware Van Nelle) te rollen. Niet dat hij bezwaren had tegen lagere tabaksaccijns: dat vond hij, als liberaal, een uitstekende gedachte. „Maar bedelen bij oud-collega’s? Nooit.”

Zodoende werd hij, datzelfde jaar, Commissaris van de Koning in Noord-Holland. „Enige bestuurlijke ervaring bleken ze wel op prijs te stellen”, zei hij.

Wegenaanleg, grondwinning, ruimtelijke ordening: Remkes had geen moeite het belang van een provinciebestuur te schetsen. „Te klein voor Den Haag, te groot voor de gemeente.” Complicatie was wel dat de provincie de burger amper nog bereikte. „Regionale media staan er steeds schraler voor.”

En veel aandacht werd de laatste jaren weggekaapt door de provinciale PVV. Een feuilleton van ruzies, afsplitsingen, nieuwe ruzies. „Ik moet werken met vier nazaten van de oorspronkelijke PVV-fractie”, verzuchtte hij. Drie eenmansfracties, allemaal afgescheiden, en het restant van de PVV-fractie, die nog drie leden telt.

Het is niet alles. Twee eenmansfracties „hebben we al enige tijd niet meer gezien”. Ook bleken deze spookstatenleden hun fractie-uitgaven niet te kunnen verantwoorden: Remkes heeft vorderingen, zei hij, van 3.000 en 12.000 euro uitstaan.

„Ik vind”, zei hij, „dat Geert Wilders wel eens in de spiegel mag kijken.” Het probleem speelt niet alleen in Noord-Holland, zei hij. „Wilders en zijn regionale kompanen hebben van de samenstelling van de lijsten destijds gewoon een rommeltje gemaakt.”

Als je alles overzag was het zo vreemd niet dat het kabinet in 2012 een nieuwe bestuurlijke indeling ambieerde: het belang van de EU groeit, Den Haag is er zelf middenbestuur door geworden, gemeenten fuseren, nieuwe economische regio's ontstaan.

Remkes had ook geen principiële bezwaren: deze bestuurlijke hervorming kwam integraal uit het verkiezingsprogramma van zijn eigen partij.

Maar hij wist ook hoe zeldzaam bestuurders tot veranderingen te verleiden zijn. „Als Kamerlid deed ik bestuurlijke herindelingen”, zei hij. Bij momenten werd hij er cynisch van. „Het kwam meestal neer op lang praten en niets veranderen.”

Het kabinet sloeg het praten deze keer over. Het gaf Remkes meteen een alibi zich te beklagen. En na de formatie kwam daar een beter alibi bij: Plasterk.

Al in hun eerste etentje na zijn aantreden hield Plasterk hem, aldus Remkes, een worst voor: „We hebben straks ook nog wat te vergeven, Johan.” Remkes vroeg of hij het CdK-schap en de plaats van het provinciehuis bedoelde. „Toen Plasterk dat bevestigde heb ik gezegd: ‘Ronald, daar gá jij niet over. Dat bepalen de staten’.”

En later, terwijl Remkes op verzoek van Rutte onderzoek deed naar de taken van de nieuwe superprovincie en wachtte op de kabinetsreactie, liet Plasterk zich ontvallen dat hij zijn wetsvoorstel al in de ministerraad bracht. „Ik zei: Ronald, dat méén je niet?” Een cruciale fout. „De bestuurlijke aanpak was gewoon niet goed.”

Maar dit was de buitenkant van het verhaal. De binnenkant was een oefening in nederigheid voor de premier, naar oud-Hollands procedé: de bestuurder die zeggenschap over andere bestuurders claimt, die zich groter maakt dan hij is, krijgt ten slotte zijn plaats gewezen. „Och”, zei Remkes onbekommerd, „Mark weet ook: boos worden helpt niet bij mij.”

Er waren meer beleidskeuzes van dit kabinet waarover Remkes, gezien zijn ervaring, niet enthousiast was. „Ik heb me enorm geërgerd aan de bezuiniging op de AIVD”, zei hij. Als minister van Binnenlandse Zaken 2003-2006) zat hij in een soortgelijke situatie. Remkes stak ervan op dat „zo’n dienst afbreken simpel is, terwijl opbouwen zeeën van tijd kost”.

Maar ook dit idee, zei ik, kwam uit zijn eigen partij. „Ja, en? Dan is het toch niet automatisch een goed idee?”

Belangrijker voor hem was dat Plasterk ook hier een eigen aanpak koos. Een minister hoort niet zelf het jaarverslag van de AIVD te presenteren. „Hij moet zorgen dat de AIVD-directeur zichtbaar is, ook voor zijn personeel. Anders ondermijn je de kwaliteit van de dienst.”

In zijn Haagse jaren zat Remkes, als staatssecretaris, ook in Paars II (1998-2002) – het kabinet dat de opkomst van Pim Fortuyn inleidde. Andere tijden: totdat die puist openbrak stonden de Paarse partijen comfortabel in de peilingen.

„Maar een parallel is wel”, zei hij, „dat Paars II op zeker moment door zijn beleid heen was. De uitdaging verdween.”

Dit gevaar zag hij ook voor Rutte II. „Er moet honger naar nieuw beleid blijven. Dus iets van belastinghervorming is belangrijk voor deze coalitie.” Zijn sneer naar het kabinet rolde er vanzelf uit: „Ik bedoel, je kunt blijven praten over een Rijksschoonmaakbedrijf – maar dat is onvoldoende bindend, vrees ik.”

Ook hoefde je weinig moeite te doen een laatste waarschuwing aan Johan Remkes te ontlokken: aan zijn partijleider. Natuurlijk – hij begreep waarom de premier al vroeg een landelijke campagne voor behoud van zijn coalitie uitriep. „De minister-president kent zijn verantwoordelijkheid.”

Maar zonder risico’s was dit natuurlijk niet. „Als je zegt dat de meerderheid van de coalitie in de senaat op het spel staat, en je haalt die meerderheid niet, dan krijg je het behoorlijk voor je kiezen. Dan zal ook de VVD intern de nodige gesprekken moeten voeren.”

Hij bedoelde? „De keuze van Mark betekent dat hij die meerderheid in de Eerste Kamer ook moet zien te behouden”, zei Johan Remkes. „Anders heeft het kabinet een groot probleem.”

Hij haalde de zware Van Nelle weer te voorschijn. „Dan slaat de strategie van Mark als een boemerang op hem terug.”