Blijvend in gevecht met de tijd

In een tentoonstelling over het bombardement probeert Dresden mythes te ontkrachten aan de hand van literatuur. Maar zeventig jaar na de verwoesting blijft het een verdeelde stad.

Het gebied rond de Neumarkt van Dresden, in 1946 gefotografeerd vanaf de Kreuzkirche.

Op het gebouw van de Hogeschool voor Kunsten in Dresden hangt een immens spandoek met een tekst van Goethe: „Das Land, das die Fremden nicht beschützt, geht bald unter” (Een land dat vreemdelingen niet beschermt, gaat snel ten onder). Even verderop, op de ramen van een groot winkelcentrum, hangt Schiller: „Der Menschheit Würde ist in eure Hand gegeben. Bewahret sie!” (De menselijke waardigheid ligt in jullie handen. Bescherm haar!) En, vervolgt het spandoek, „Sie sinkt mit euch, mit euch wird sie sich heben” (Ze gaat ten onder met jullie, met jullie kan zij zich verheffen).

Wat is er aan de hand als een stad een beroep doet op woorden van heroïsche literatoren uit het verleden? In vier aanvalsgolven tussen 13 en 15 februari 1945 was Dresden doelwit van Britse en Amerikaanse bommenwerpers. De eerste aanval verwoestte het historische centrum. Meer dan 25.000 mensen kwamen om door bommen en de daaropvolgende ‘vuurstorm’. Precies zeventig jaar later is Dresden nog steeds een stad in tweestrijd.

Sinds december vorig jaar komen hier elke maandag demonstranten bijeen van de Pegida-beweging, een afkorting voor Patriotische Europäer gegen die Islamisierung des Abendlandes, al zijn de aantallen sindsdien teruggelopen van 15.000 tot enkele duizenden.

Op 13 februari, precies om zes uur, luiden in Dresden zoals elk jaar de klokken. Dan vormt zich een kilometerslange mensenketting door de binnenstad langs de gerestaureerde Frauenkirche en de Semperoper. Bij de herdenking is ditmaal ook de Duitse president, Joachim Gauck, aanwezig. Helma Orosz, burgemeester van groter Dresden, liet op voorhand weten dat de ketting dit jaar als een demonstratie tégen Pegida opgevat moet worden. Van Dresdenaren verwacht ze nu moed, respect en tolerantie.

De tweespalt wordt nergens duidelijker dan in het militair museum, waar een tentoonstelling is ingericht over de literaire verwerking van het bombardement. Het is buitengewoon moedig dat een militair instituut het initiatief neemt voor een tentoonstelling waarbij niet Dresden als slachtoffer centraal staat, maar een poging wordt gedaan enige mythen te ontkrachten.

Bombardeerders

Dat daarbij Harry Mulisch’ Het stenen bruidsbed (1959) speciaal aandacht krijgt, komt niet alleen doordat Mulisch de eerste was die het bombardement van Dresden literair verbeeldde, maar vooral doordat hij de enige is die het beschrijft vanuit de bombardeerders. Niet het slachtoffer krijgt bij hem het hoogste woord, maar de aanvaller, die uiteindelijk zelf ook slachtoffer blijkt te zijn.

De tentoonstelling gaat in op de rol van het bombardement in Duitse en geallieerde propaganda, aan het eind van de oorlog en daarna. En „het oorlogstrauma van de jonge mensen van destijds, dat werd overschaduwd door schuld en schaamte over Duitse misdaden”, aldus een inleiding.

Maar als kern heeft de tentoonstelling dertien vitrines over literaire verwerkingen van Dresdens verwoesting, met daar omheen wanden met achtergrondgegevens gegroepeerd.

Kurt Vonneguts Slaughterhouse-Five heeft sinds zijn opzienbarende verschijning in 1969 het meest bijgedragen aan de mythologisering van Dresdens ramp.

Vonnegut noemt nog een aantal van 130.000 slachtoffers, terwijl men tegenwoordig op 25.000 uitkomt. De nazi’s overdreven opzettelijk het getal. Malta is het langst en het zwaarst gebombardeerd van alle Europese gebieden, in Hamburg stierven meer burgers dan in Dresden. Maar juist de literaire verwerking heeft ertoe bijgedragen dat Dresden als slachtofferstad in het collectieve geheugen is blijven hangen.

Vonnegut heeft zelf als Amerikaans krijgsgevangene het bombardement meegemaakt, schuilend in kelders van een oud slachthuis. In zijn roman wijdt hij slechts een pagina of drie aan 13 februari, maar die pagina’s zijn dan ook in hun eenvoud verpletterend. „So it goes”, is het enige wat zijn hoofdpersoon uit kan brengen en deze lege woorden herhaalt hij tot zijn dood.

Vonnegut en Mulisch zijn beiden in gevecht met de tijd: de verschrikkingen van 13 februari maken dat het heden nooit meer zonder het verleden beleefd kan worden. Martin Walser heeft in Die Verteidigung der Kindheit (1991) gekozen voor verlies van tijd: zijn hoofdpersoon is als kind zijn verleden kwijtgeraakt in de brandnacht. Hij zoekt wanhopig overblijfselen, en pleegt ten slotte zelfmoord.

Ornitholoog

Vonnegut, Mulisch en Walser hebben zelf de oorlog meegemaakt. Dat geldt niet voor alle schrijvers die op de tentoonstelling vertegenwoordigd zijn. Marcel Beyer, bijvoorbeeld, is geboren in 1965. In zijn roman Kaltenburg (2008) laat hij een oudere ornitholoog botsen met een jongen die wees geworden is door het bombardement. De weesjongen herinnert zich hoe vogels toen als zwarte klompen uit de lucht vielen. Vogelsterfte verbindt hen, en drijft hen uit elkaar als de jongen ontdekt dat de ornitholoog zijn eigen kauwen heeft laten vergiftigen om uit de DDR weg te kunnen komen.

In het herschapen Dresden is de onheilsnacht nog steeds invoelbaar. Stompen zwarte stenen steken in de Frauenkirche omhoog uit witte gerestaureerde delen. Waar de literatuur vele woorden voor nodig heeft en de tentoonstelling Schlachthof 5 een grote zaal en een catalogus, laten de historische gebouwen dit in één oogopslag zien. So it goes.