Aramees: eeuwenlang dé taal in het Nabije Oosten

Aramees wordt alleen nog gesproken in een paar dorpen in Syrië. Toch was het heel lang de lingua franca én de bestuurstaal van Midden-Oosterse rijken.

‘Aramees is voor de geesteswetenschappen wat wiskunde is voor astronomie en toegepaste natuurwetenschappen”, zegt Holger Gzella. Het wordt gebruikt bij bijbelexegese, en bij de studie van Semitische talen, van het jodendom, het oude Nabije Oosten, het vroege christendom, de godsdiensten van de Late Oudheid, de geschiedenis van het Hellenistische en Romeinse Nabije Oosten, de islam en talen van minderheden in het huidige Midden-Oosten.

„Maar net als wiskunde verdient de taal het om ook op zichzelf bestudeerd te worden,” stelt de veertigjarige Duitse hoogleraar Hebreeuwse en Aramese Taal- en Letterkunde aan de Universiteit Leiden. „Er is meer Aramese literatuur over dan Klassiek Griekse, variërend van bijbelcommentaren tot religieuze poëzie en romans.” Toch ontbrak het aan een goede wetenschappelijke cultuurgeschiedenis. Gzella heeft nu in die leemte voorzien.

Tien jaar hoogleraarschap leek hem een geschikt moment om wat hij zijn studenten tijdens colleges had onderwezen, en het overzicht dat hij al in zijn hoofd had, eens op papier te zetten.

Een „tegenvaller op professioneel gebied” speelde ook een rol. De Universiteit Leiden had in 2012 besloten om Hebreeuws en Aramees als zelfstandige opleiding te schrappen en in een brede bachelor in te bedden. „Op een judo-achtige manier” heeft Gzella de aanslag op zijn vak gebruikt om de aanval over te nemen en zijn cultuurgeschiedenis te schrijven. In negen maanden tijd vloeide het boek ’s nachts, de stille periode van de dag waarin hij het beste werkt, op papier.

Het Aramees bestaat niet uit één taal en is niet de taal van één etnische en culturele groep. De afgelopen drieduizend jaar zijn er tientallen verschillende Aramese spreek- en schrijftalen geweest. Die talen lopen ook nog eens chronologisch en geografisch in elkaar over en door elkaar heen, van het eerste millennium voor Christus tot nu, en van Egypte in het westen tot Afghanistan in het oosten, en van Anatolië in het noorden tot Arabië in het zuiden. Dat maakt een indeling lastig, zegt Gzella. Voor het gemak onderscheidt hij zelf vijf belangrijke perioden.

Syrische koninkrijkjes

Het Aramees begon rond 1000 voor Christus in kleine koninkrijken in Syrië. Tegelijkertijd werd er iets zuidelijker Hebreeuws, Fenicisch en Moabitisch gesproken. „Het Aramees is onderdeel van dezelfde taalkundige en culturele oervorm. Maar een Aramees sprekende inwoner van Damascus kon een Hebreeuws sprekende inwoner uit Jeruzalem al niet meer verstaan.”

De vroegste bronnen voor het Aramees zijn geschreven in het Fenicische alfabet en bestaan uit inscripties. „De lokale heersers zochten een manier om hun daden vast te leggen.” Zo liet koning Hazaël in de negende eeuw voor Christus bij Tel Dan, in het noorden van Israël, een basalten stele oprichten als herinnering aan zijn overwinning op het koninkrijk Juda.

Bij Deir Alla in Jordanië hebben Nederlandse archeologen in 1967 een literaire tekst op pleister gevonden. „Het gebied is rond 837 voor Christus door Damascus veroverd op het noordelijke koninkrijk van Israël. De tekst over de ziener Balam is afkomstig uit de Canäanitische literatuur en is een voorbeeld van tweetaligheid in die tijd en in die streek.”

Gzella gaat ervan uit dat er vroeger ook administraties in het Aramees moeten zijn geweest, maar die zijn grotendeels verloren. „Waarschijnlijk zijn ze vastgelegd op vergankelijk materiaal.”

Tussen de zevende eeuw en 300 voor Christus was het Aramees de lingua franca van achtereenvolgens het Assyrische, Babylonische en Perzische wereldrijk. De grote vraag is hoe dat is gegaan. Sommige geleerden zeggen dat de Assyriërs het Akkadisch en hun eigen spijkerschrift vanwege de ideologische lading ervan niet hebben willen opleggen. Het ‘neutrale’ Aramees zou makkelijker te implementeren zijn geweest. Gzella is het daarmee niet eens: „Al in de eerste helft van de achtste eeuw, als verschillende Syrische koninkrijken nog onafhankelijk zijn, zie je dat het Aramees zich verspreidt. De taal is dus niet achteraf opgelegd.”

Andere geleerden menen dat het Aramees lingua franca is geworden omdat het een eenvoudiger taal is dan het Akkadisch: de grammatica is flexibeler en de morfologie is eenvoudiger. „Maar een ingewikkelde grammatica en morfologie zouden later niet beletten dat het Russisch de lingua franca van de Sovjet-Unie te werd.”

Een compleet antwoord heeft Gzella ook (nog) niet, maar volgens hem is het Aramees mogelijk door handelaren en verhuizingen verspreid. „Het is in ieder geval van onderaf gebeurd, zoals een mode zich verspreidt, want bij de Assyriërs en Babyloniërs is van standaardisatie geen sprake.”

Bij de Perzen was wel sprake van een bewuste codificatie. Het Aramees werd de taal voor provinciaal bestuur en diplomatie. Klerken werden getraind en er kwamen taalkundige en ideologische voorschriften, zodat van het westen in Egypte tot in het oosten in Bactrië (nu Afghanistan) dezelfde taal werd gebruikt. „We weten dat onder meer door de recente ontdekking en publicatie van de administratie van de satraap van Bactrië.”

Tijdens de Hellenistische en Romeinse periode verbrokkelde alles weer. Aramees bleef wel van velen de spreektaal. De bekendste spreker uit die tijd is Jezus. Het Palestijns Aramees kende toen waarschijnlijk zeven verschillende dialecten. Op basis van ‘Aramese’ woorden en constructies in de Griekse tekst van het Nieuwe Testament is moeilijk uit te maken welk dialect Jezus precies sprak. Waarschijnlijk was het een Galileïsch dialect. De handelselite in steden als Palmyra (in het huidige Syrië) en Petra (in wat nu Jordanië is) gebruikte de taal voor openbare inscripties, waarin ze hun weldaden, zoals de bescherming van handelskaravanen, tentoonspreidden. Wel deden ze dat in een eigen schrift.

Religieuze identiteit

In de Late Oudheid, na de bekering tot het christendom van keizer Constantijn en de consolidatie van het jodendom, werd religieuze identiteit belangrijker dan politieke identiteit. In kloosters en rabbijnenscholen ging men in verschillende Aramese varianten religieuze teksten overschrijven, kopiëren en verspreiden. Zo ontstonden onder meer de Palestijnse en Babylonische Talmud en Aramees-christelijke versies van het Oude en Nieuwe Testament en de bijbehorende commentaarliteratuur.

De westelijke en oostelijke dialectgroepen die in dezelfde tijd ontstonden, bleven bestaan in de islamitische periode. Vanaf de negende eeuw werd het Arabisch de dominante taal in het Midden-Oosten. Tegelijkertijd brachten joden het Aramees naar Spanje en Jemen, en was de Syrische variant de taal van de missionarissen die naar China en Centraal-Azië trokken.

Als het aan Gzella ligt, maakt hij binnenkort een Nederlandstalig publieksboek over de cultuurgeschiedenis van het Aramees. „Het wordt geen slap aftreksel van dit boek en het zal rijk geïllustreerd zijn.” Nee, hij zet er geen still in uit The Passion of the Christ van Mel Gibson, waarin de acteurs Aramees en Latijn praten. Gzella: „Daarin zijn ze in de war geraakt met de Aramese klankwetten en spreken ze alles als Klassiek Syrisch uit. Dat kan echt niet.”