Afzien voor het beste beeld

Een droombaan, maar een gevaarlijke. Joris van Alphen (27) reist voor zijn natuurfoto’s naar de extreemste plekken. Soms is dat afzien. Neem nu de hardnekkige parasiet in zijn voet: „Eigenlijk word ik nu van binnenuit opgegeten.”

Foto Joris van Alphen/National Geographic

‘Sorry, ik loop een beetje moeilijk.” Joris van Alphen (27) strompelt met fiets in de hand naar zijn appartement. „In Peru heb ik Leishmania-parasieten opgelopen. Ze zitten in een open wondje op mijn voet”, zegt hij met een grijns op zijn gezicht. „Eigenlijk word ik nu van binnenuit opgegeten.”

Van Alphen is jong, lang, vrolijk. Er staat een paar-dagenbaardje op zijn wangen, zijn blonde haar zit warrig. Een paar jaar geleden was Van Alphen nog een biologiestudent. Hij was voorzitter van een studentenduikvereniging, bezocht feestjes, probeerde tentamens te halen. Nu reist hij de wereld rond als fotograaf.

Van Alphen somt op: het afgelopen jaar maakte hij reportages in Senegal, Peru en Zuid-Afrika. Tussendoor bezocht hij China en Nepal. En nu is hij voor een paar weken neergestreken in zijn thuisstad, Groningen.

Hij smeert een boterham – zijn ontbijt en lunch. In de hoek van de woonkamer staat een oud kabinet uit Naturalis. De handgeschreven labels verwijzen naar fossiele schelpen die ooit in de lades lagen, maar Van Alphen bewaart er zijn administratie in. „Sinds een jaar kan ik van mijn reportages leven”, zegt Van Alphen, terwijl hij op de bank ploft.

Misschien begon het idee om fotograaf te worden te kriebelen in Indonesië, zegt hij nu. Hij zat in het eerste jaar van zijn master Biologie en was op Ternate voor een duikexpeditie. „Een goed excuus om te investeren in een onderwaterbehuizing en flitsers voor mijn camera.” Van Alphen maakte foto’s van de zeeslakken waar hij toch al onderzoek naar deed. Als onderzoeker kon hij het zich niet veroorloven veel tijd te steken in fotografie. „Onder water is tijd kostbaar”, zegt Van Alphen. „Maar af en toe maakte ik ook foto’s van een porseleinkrab of een anemoonvis.”

In Nederland bleef Van Alphen duiken en fotograferen. „Het is hier evengoed prachtig onder water. In de Oosterschelde leven zeekatten en grote, kleurrijke zeekreeften.” Intussen schreef hij in op fotowedstrijden en beurzen. Met succes. In 2012 won hij de Emerging Nature Photographer Award, een prijs die National Geographic uitreikte aan jonge talenten.

Daarna ging het hard. Van Alphen schoot de onderwaterbeelden voor de kaskrakende natuurdocumentaire De Nieuwe Wildernis. Collega’s verkozen hem tot de International League of Conservation Photographers. Hij is nu het jongste lid. „Ik dacht steeds dat het rustiger zou worden”, zegt hij, „maar de opdrachten bleven komen en werden steeds groter.” Vorig jaar heeft hij maar besloten om zijn studie niet af te maken.

Onderwaterfoto’s zijn nog steeds een specialiteit van Van Alphen. Voor zijn laatste klus, in Zuid-Afrika, dook hij in kelpwouden, weelderige wierbossen die in de zeebodem zijn verankerd. Op zijn laptop laat hij foto’s zien van zilveren vissen tussen bruine slierten wier.

Boven water is Van Alphen is een dierenbetrapper. Hij snapt foto’s van dieren, zonder dat ze de camera in de smiezen hebben. Hij plaatst zijn camera in het veld, in de schuur, of in een boom, en verdwijnt. De camera zendt voortdurend een straal infrarood licht uit, onzichtbaar voor het blote oog. Zodra een dier de lichtbundel doorbreekt, drukt de camera af. „Met een cameraval krijg je dieren te zien zoals je ze zelf nooit hadden kunnen zien.”

Zo maakte hij bijvoorbeeld de foto van een kerkuil die nét op een dwarsbalk landt, met een verse woelmuis in zijn snavel. En ook de kiekendief liep in de val: de roofvogel kijkt recht in de lens van de camera. Van Alphen maakte deze foto vanuit muizenperspectief. Zo moet een weerloze prooi zich voelen.

Foto’s maken met een cameraval is allesbehalve lui, bezweert Van Alphen. „Er gaat juist veel werk in zitten. Je moet precies weten hoe een dier zich gedraagt om hem voor je lens te krijgen. En je moet van tevoren nadenken over de compositie en hoe het licht zal veranderen gedurende de dag en nacht.”

Van Alphen fotografeert vaak dieren. Maar noem hem geen natuurfotograaf. „Ik fotografeer net zo lief mensen.” Natuurbescherming is de rode draad die door zijn werk loopt, legt Van Alphen uit. „Ik denk dat maar weinig mensen zich kunnen voorstellen op wat voor schaal wij mensen de natuur kapotmaken. Maar ik zie het gebeuren, en voel me verantwoordelijk om dat verhaal met mijn foto’s te vertellen.”

Hij werkt daarvoor veel samen met biologen. „Het is een symbiose. Zij hebben de gedetailleerde kennis waar ik afhankelijk van ben.” Maar inmiddels is hij erachter >> >> gekomen dat hij zélf op reis moet om natuurfoto’s te maken. „Als je van onderzoekers afhankelijk bent voor de logistiek dan wringt dat. Dan moet je maar hopen dat zich iets moois afspeelt voor je lens. Je kunt geen verhaal vertellen als je achter wetenschappers moet aanhollen.” Verhalen vertellen – Van Alphen heeft het er vaak over.

Het gaat toch om de foto?

„Kijk, een mooie foto maken kan iedereen. Maar je moet ook iets te vertellen hebben. Ik werk met een visuele verhaallijn in mijn hoofd: welke foto’s heb ik nodig voor mijn verhaal?

„Zo’n foto hoeft niet per se mooi te zijn, als hij maar in het verhaal past. Voor de reportage over overbevissing in Zuid-Afrika wilde ik laten zien dat de vissen hier ooit groter waren. Maar hoe breng je de vissen in beeld die er niet meer zijn?

„Uiteindelijk vond ik een foto uit 1968, van een speervisser met een zeebrasem van een meter. Ik heb die speervisser opgespoord en hem samen met die uitvergrote foto gefotografeerd, precies op de plek waar hij als jongeman die vis gevangen heeft.

„Zo probeer je dertig dingen, waarvan er misschien een paar lukken. Ik wilde ook graag een foto maken van de vismarkt in Kaapstad.” Lachend: „Maar Kaapstad heeft geen vismarkt.”

Dat was niet de enige tegenslag. De zee was onstuimig, zoals wel vaker in een Zuid- Afrikaanse zomer. Van de zes weken dat Van Alphen er was, kon hij maar elf dagen duiken. „Pas op de allerlaatste dag heb ik misschien de foto gemaakt die ik wilde maken.”

Reportages lopen altijd anders dan gepland. Ook in Peru. Van Alphen was er een half jaar geleden, samen met collega-fotograaf Christian Ziegler, voor een reportage in National Geographic. Ze reisden per boot de rivieren Madre de Dios en Manú af, tot diep in het Manú Nationaal Park, een ongerept regenwoud aan de voet van de Andes.

Ziegler en Van Alphen reisden in vier bootjes – één voor henzelf en het beetje fotoapparatuur dat niet door de douane werd tegengehouden, drie voor de onderdelen van een steiger van 6 ton zwaar en >> >> 27 meter hoog.

Een steiger?

„Ja. We wilden de dieren fotograferen die op rijpe vijgen afkomen. In het droge seizoen zijn vijgen de enige vruchten die altijd beschikbaar zijn. Vijgenbomen zijn niet afhankelijk van de regen. Doordat ze door vijgenwespen worden bevrucht, staat er altijd wel ergens een vijgenboom met rijpe vruchten. Fruiteters uit de wijde omgeving komen op die rijpe vijgen af. Vijgen die op de grond vallen, worden gegeten door agouti’s, paca’s, en tapirs. Zij trekken weer roofdieren aan. Ocelotten, poema’s, jaguars, slangen. In de kroon is van de boom zitten de apen, toekans en kinkajoes. Als je die écht goed wil fotograferen, moet je dat vanuit een steiger doen. Je kunt wel zelf de boom in klimmen, maar dan kom je niet in de dunne takken van de kroon.”

Machiguenga-indianen hielpen Van Alphen en Ziegler bij het verslepen en opbouwen van de steiger. Het probleem: de technicus die de bouw van de steiger zou coördineren wás er niet. Hij zou met de apparatuur meekomen, maar die werd nog door de douane vastgehouden.

Van Alphen instrueerde de Machiguenga daarom zelf, in gebrekkig Spaans. Een hele klus. „De Machiguenga hadden nog nooit een steiger gezien. Ze bouwden het liefst de hoogte in. Van het nut van een fundering of dwarse pijpen kon ik ze maar moeilijk overtuigen.”

En ondertussen werden Van Alphen en Ziegler voortdurend geplaagd door insecten. Steekvliegen, muggen en wespen dronken hun bloed, zweetbijen kwamen af op het zout in hun zweet en tranen. „In het regenwoud word je vanzelf onderdeel van de voedselketen.”

Van Alphen vertelt opgewekt over zijn jungleleed. Aan een mooie foto van een vijgenetende aap zie je niet af wat de fotograaf heeft doorstaan, wil hij maar zeggen. „Eigenlijk is het tragischer voor die bijen zelf. Ze storten zich als kamikazes je oog in. Je zou denken dat natuurlijke selectie snel een eind zou maken aan zulk destructief gedrag.”

Van Alpen ziet zelfs de mooie zijde van al die stekende, bijtende en zweet likkende insecten: „In Manú zijn de aantallen insecten echt ongekend. Indirect merk je daaraan hoe veel zoogdieren daar nog leven, en hoe leeg andere regenwouden zijn. Dat zie je zodra ergens een weg wordt aangelegd. Dieren verdwijnen dan in een straal van vele kilometers.”

Je bent vaak lang van huis. Hoe is dat voor de mensen om je heen?

„Dat heeft dat natuurlijk invloed op je relatie.” Van Alphen is even stil. Dan zegt hij: „Met wat vrienden organiseerde ik laatst een verrassingsfeest voor een vriend die 30 werd. Toen werd ik opgebeld of ik meewilde naar Peru. Zo’n kans laat ik natuurlijk niet lopen. Maar dan moet ik wel zeggen: ‘O sorry jongens, op het feest ben ik er weer niet bij.’ Voor anderen is het soms moeilijk te begrijpen wat ik doe. Soms wenst iemand me een fijne vakantie toe. Maar als ik voor zeven weken naar Peru afreis, dan werk ik 49 dagen, zonder ook maar één dag vrij te nemen. Overdag is het vechten voor die éne goede foto. En als de zon ondergaat laad ik mijn foto’s in, drinken we een borrel, gaan we slapen en de volgende dag begint alles weer opnieuw. Maar die eenvoudige manier van leven is prachtig. Slapen in een tentje, kleren wassen in de rivier. Je leeft in het moment, op de meest afgelegen plekken op aarde. Het is een dagelijkse worsteling om de mooiste foto te maken. Dat is intens, mooi en vervelend tegelijkertijd.”

De ene gedachte brengt Van Alphen al snel weer op de volgende. Als hij je vertelt hoe zwaar het werken in het regenwoud is, vertelt hij je daarna hoe prachtig het is. Vraag hem naar zijn jeugd en hij begint over zijn toekomstplannen, tot hij ook zelf de draad is kwijtgeraakt.

„Eh. Waar hadden we het ook alweer over?”

Over je ouders.

„Oh ja. Mijn ouders zijn eigenlijk gewoon twee leuke, maffe biologen. Vanaf mijn derde ging ik mee op expeditie.”

Van Alphen trekt een fotoboek uit de kast. Kiekjes uit Oeganda. Van Alphen staat als jongetje op de foto met reuzenrupsen, apen en een python. „Kijk, dat was mijn insectenverzameling. Toen was ik 8.”

Hoe was dat?

„Geweldig. Ik was het enige kind in het kamp, en alle onderzoekers en studenten >> >> waren gek op me. Ik mocht met alles meedoen, ging gewoon mee het veld in.”

Weer maakt van Alphen een sprongetje:

„Alle kinderen zouden de natuur in moeten. Als je als kind opgroeit in de stad en je krijgt nooit voorgeschoteld wat daarbuiten is, ontwikkel je nooit die diepe waardering en begrip voor de natuur.”

Voelt Groningen nog wel als thuis?

„Eigenlijk heb ik hier niet meer zo veel te zoeken. Steeds meer vrienden gaan weg. Bovendien is Nederland te klein om dit werk te doen. Er zijn hier gewoon te weinig opdrachtgevers. Daarom denk ik erover te emigreren, naar een plek waar wonen goedkoper is en waar ik de verhalen in mijn achtertuin kan vinden. In Nederland moet ik altijd op een vliegtuig stappen voor een verhaal. Nu ik meer opdrachten heb gedaan, is het makkelijker om daarover na te denken. Als je het financieel comfortabel hebt, kun je nee zeggen tegen klussen die er minder toe doen en gaan voor de verhalen die je écht wil vertellen. Fuck You money, noemt een collega dat.”

Is er in Nederland niet genoeg natuur?

„Je hebt hier wel natuur, maar geen wildernis. Zelfs als je in de Pyreneeën gaat trekken met een tentje, ontkom je niet aan de dagjesmensen. Net als je denkt dat je de wilde natuur bereikt, kom je weer mensen tegen omdat je de volgende parkeerplaats alweer nadert. Echte wildernis is zeldzaam in West-Europa.”

En dus reis je naar de andere kant van de wereld om het beetje natuur dat er nog is vast te leggen.

„Klopt, ergens is dat tegenstrijdig. Ik heb het voorrecht om naar de mooiste afgelegen plekken ter wereld te reizen. Daarbij hoort ook de verantwoordelijkheid om te laten zien wat zich daaromheen voltrekt. Soms rijd ik urenlang langs palmolieplantages. Ook als ik uit het vliegtuigraam kijk, wordt mij pijnlijk duidelijk op wat voor schaal wij de aarde veranderen. Onaangetast bestaat niet meer. Daar word ik droevig van. Met fotografie kan ik dat zichtbaar maken. Uiteindelijk moeten mijn foto’s ook een verschil maken. Ik hoop dat mensen naar mijn foto’s kijken en zien: zo mooi kan de aarde zijn.” <<