Zet de fractiechefs in om de senaat te hervormen

Een staatscommissie voor politieke veranderingen klinkt mooi, maar werkt alleen met zwaargewichten erin, meent Thom de Graaf.

De Provinciale Statenverkiezingen zijn indirect ook verkiezingen voor de Eerste Kamer. De Statenleden kiezen immers de leden van de senaat. Een stem op 18 maart telt dus eigenlijk dubbel. Kiezers hadden lange tijd weinig belangstelling voor de Eerste Kamer, maar deze keer lijkt dat anders.

VVD en PvdA hebben een meerderheid in de Tweede Kamer maar bij lange na niet in de huidige Eerste Kamer. Daar bedelt het kabinet om elke stem bij grote en kleine fracties. Regelmatig wordt de Eerste Kamer daarom verweten partijpolitiek te bedrijven die in de direct gekozen Tweede Kamer thuishoort. Vaak is dat onterecht.

Eerste Kamerleden hebben weliswaar geen rechtstreeks kiezersmandaat maar zijn natuurlijk wel politici. Ze beoordelen wetsvoorstellen dus niet alleen op kwaliteit, uitvoerbaarheid en rechtsstatelijkheid maar houden ook rekening met het politieke oordeel van hun geestverwanten in de Tweede Kamer.

De afgelopen jaren onderhandelde de regeringscoalitie daarom niet in de Eerste maar in de Tweede Kamer met oppositiepartijen, bijvoorbeeld over de begroting en noodzakelijke hervormingen in zorg, onderwijs, woningmarkt en sociale zekerheid. De Eerste Kamer stemde daarna volgens de gebruikelijke politieke lijnen, waarbij de fracties het politieke primaat en de afspraken van de partijgenoten aan de overkant van het Binnenhof respecteerden, op een enkele PvdA-senator na.

De zetelaantallen in de Eerste Kamer zijn wel relevant, maar toch wordt de politieke macht voornamelijk dáár gevormd waar dat moet: in de Tweede Kamer. Eigenlijk is het nooit anders geweest. Als de senatoren in zeldzame gevallen tegen het politieke oordeel van de collega’s uit de Tweede Kamer ingingen, had dat meestal niet met politieke weging te maken maar met de belabberde kwaliteit van voorstellen. Een enkele keer bleek een richtingenstrijd tussen Tweede en Eerste Kamerfracties van dezelfde partij of meende een individuele senator het beter te weten. Bij delicate machtsverhoudingen wordt dat gelijk een drama. Ook dat is overigens van alle tijden: in 1999 al wist Hans Wiegel in zijn ‘nacht’ het gewicht van zijn senaatszetel uitstekend op politieke en publicitaire waarde te schatten.

De verkiezingen gaan dus ook om de zetelaantallen in de senaat en de stabiliteit van het kabinet. Van de uitslag hangt af of het nog mogelijk is om met oppositiepartijen te onderhandelen over bijvoorbeeld de herziening van het belastingstelsel, en welke partijen dan sterk genoeg blijken om een constructieve rol te vervullen. En meer dan dat: de verkiezingsuitslag zal vroeg of laat ook bepalend zijn voor de mogelijkheden om ná Rutte II een stabiel kabinet te formeren.

Binnen de VVD bleek het afgelopen jaar nogal wat ongerief over de huidige machtsverhoudingen. Anders dan na de nacht van Wiegel stelde de fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer geërgerd het bestaansrecht van de Eerste Kamer ter discussie. VVD-senator Loek Hermans bouwde voort op die irritatie met een voorstel voor een staatscommissie die ons parlementair tweekamerstelsel moet heroverwegen.

Een precieze opdracht is er nog niet, maar er valt genoeg te verbeteren. Een goede analyse van welke problemen wij met dit in de negentiende eeuw ontworpen systeem en het bijna honderdjarige kiesstelsel precies hebben, is dan nodig. Mijn eigen partij heeft een voorkeur voor een éénkamerstelsel, liefst gecombineerd met directe betrokkenheid van de kiezers bij de machtsvorming. Dat vraagt om grondig nadenken over een toekomstbestendig kiesstelsel en om borging van de kwaliteit van wetgeving, bijvoorbeeld door rechterlijke toetsing van wetten aan de grondwet.

Andere vragen zijn ook belangrijk: blijft de evenredige vertegenwoordiging uitgangspunt? Rijmt dat met een kiesdrempel? Hoe herstellen we een verbinding tussen de kiezers en hun gekozenen en hoe verhoudt de representatieve democratie zich met alle informele arrangementen in de participatiesamenleving?

Een staatscommissie is een beproefd middel om grondige analyses en voorstellen bijeen te sprokkelen, maar ook een probaat recept om deze zonder gevolgen te laten. Cals-Donner, Biesheuvel, recentelijk nog de commissie-Thomassen die over de grondwet moest adviseren: de meeste voorstellen verdwenen in het archief omdat wezenlijke politieke betrokkenheid ontbrak.

Een staatscommissie is een uitstekend idee mits de fractievoorzitters van de belangrijkste partijen in beide Kamers daar zelf zitting in nemen en zo hun prestige inbrengen. Dat dwingt ze om zelf de strijd aan te gaan en te zoeken naar nieuwe mogelijkheden en draagbare compromissen. De kans dat uit ergernissen iets moois voorkomt, wordt allicht groter als politieke aanvoerders de klus niet uitbesteden maar zelf op zich nemen.