Wie kan vallen, weet ook op te krabbelen

Alles is aan verandering onderhevig, vertelt deze avontuurlijke ideeënroman. Tegen de achtergrond van historische gebeurtenissen in Oost en West spelen zich de liefdesperikelen af van een pianiste.

Vallende vrouw, 2011, een beeld van M.F. Veenhoff

‘Vliegen is vallen.’ Dat schrijft Gaea Schoeters halverwege haar nieuwe roman, waarin regelmatig een lelijke smak wordt gemaakt. Vanaf de tweede verdieping van een huis, vanaf een hoogspringtoren en ook vanuit de lucht. Een actueel thema, nu we de neergestorte MH17 nog altijd op ons netvlies hebben.

In De kunst van het vallen komen bovendien opvallend veel Russen voor. Schoeters beschrijft de liefdesgeschiedenis tussen een Belgische concertpianiste en een getrouwde Oost-Europese vrouw; een relatie die zich afspeelt tegen de achtergrond van de troebelen tussen Oost en West. Met veel aandacht voor de voormalige Sovjet-Unie.

Het scharnierpunt is 1989: het jaar van de val van de Muur. Schoeters behandelt in een notendop de communistische op- en neergang. Na Lenin, Stalin, Chroesjtsjov, Gorbatsjov en Jeltsin zijn we bij Poetin aanbeland. En dus bij de man die niet gediend is van lastige punkzangeressen en van mensen met een afwijkende seksuele voorkeur.

Misschien lijkt De kunst van het vallen nu wel een opruiend boek waarin wereldleiders stevig op hun vingers worden getikt. Maar in de praktijk is het toch eerder een gedachtenspel-in-romanvorm dan een zwaar geëngageerde verhandeling. Schoeters, die eerder een reisroman en een thriller schreef, werpt regelmatig een balletje ergens over op, roert luchtig in de wereldgeschiedenis en legt graag kruislingse verbanden, die ze ook wel ‘modulaties van de geschiedenis’ noemt.

Zo’n modulatie, of toonwisseling, neemt ze waar tussen de Cessna die de 18-jarige Matthias Rust in 1987 ongehinderd kon parkeren bij het Rode Plein en de door Mohammed Atta bestuurde Boeing die, al even ongehinderd, in 2001 kon binnenvliegen in het World Trade Centre in New York. Schoeters gaat niet uitgebreid in op de motieven van de twee vliegers en ze verbindt er ook geen waardeoordelen aan, maar ze merkt nog wel op dat de naïeve Rust aan Gorbatsjov zijn ‘stappenplan voor de Wereldvrede’ had willen overhandigen, terwijl Atta met zijn zelfmoordactie ‘een clash tussen beschavingen in gang zette die sindsdien de wereldpolitiek beheerst.’

Je zou kunnen zeggen dat Schoeters de liefdesperikelen van haar hoofdpersoon wat breder en universeler probeert te maken door er historische feiten en gebeurtenissen aan vast te plakken. De pianiste, die geen naam krijgt, belandt tussen wal en schip als er een eind komt aan haar eerste langdurige relatie. Ze hoort dan niet meer bij het oostelijke kamp, maar voelt zich ook niet meer echt thuis in het Westen.

Dat gevoel van ontheemding, van ballingschap, deelt zij, zo suggereert Schoeters, met verschillende Russen van naam en faam. Het leven van de pianiste wordt losjes vergeleken met de lotgevallen van componist Rachmaninov, astronaut Gagarin en dichter Majakovski – die ieder op hun eigen manier ten prooi vielen aan het communistische systeem.

Al die zijdelingse verhalen en anekdotes zorgen niet alleen voor veel kleur en levendigheid, maar ook voor een prettige verruiming van de blik.

De algemene gedachte die in deze roman tot uitdrukking komt, is dat alles aan verandering onderhevig is en dat uit het een vanzelf het ander voortvloeit. Mens en wereld zijn voortdurend op zoek naar een nieuw, tijdelijk evenwicht. Alles is in beweging en niets staat op zichzelf. Vliegen bestaat alleen bij de gratie van het vallen. Geen individu zonder collectief. Geen leven zonder dood. Geen liefde zonder pijn en jaloezie.

De pianiste vindt een nieuwe geliefde, twee nieuwe geliefden zelfs, maar aan het eind van het boek staat ze toch weer met lege handen. Maar wie, zoals deze dame, de kunst van het vallen verstaat, zal ook vanzelf wel weer opkrabbelen, zo leert ons deze avontuurlijke ideeënroman.