Vanitas

In De Wereld Draait Door hoorde ik mediëvist Herman Pleij enthousiast praten over een ‘gegeneerd lachend Jezusje’. Hij wees daarbij op een indrukwekkend heiligenbeeld dat hij had opgediept uit het depot van het Catharijneconvent uit Utrecht. Pleij mocht, samen met negen andere DWDD-coryfeeën, ondergrondse (althans, dat stelde ik me zo voor) depots van verschillende Nederlandse musea in om daar verborgen schatten uit te zoeken die tentoongesteld zouden worden in het ‘DWDD Pop-Up Museum’ in het Allard Pierson Museum. Alleen al vanwege de eclectische combinatie van het hippe ‘pop-up’-element met het statige Allard Pierson, wilde ik deze tentoonstelling met eigen ogen zien en dus stond ik in de rij om een kaartje te kopen. Een rij in het Allard Piersonmuseum ja, u hoort het goed. Ooit, tijdens mijn studie geschiedenis, koos ik de richting oudheid. Ik kwam toen vrij regelmatig in dit archeologiemuseum. Al die keren tezamen heb ik hier, denk ik, in totaal zeven mensen gezien, inclusief suppoosten en de mevrouw achter de kassa. Nu moet ik zelfs even wachten voor er een kluisje vrij is waar ik mijn tas in kan stoppen.

Het publiek is zonder uitzondering Nederlands. Dat is logisch, maar het is best onwennig om in een museum te zijn zonder dat er Aziaten met selfiestokken rondlopen. En het heeft nog een andere consequentie: ik weet niet of het iets Hollands is, of dat het komt door de knusse zalen, de drukte, of dat mensen zenuwachtig worden omdat ze misschien denken dat hier camera’s draaien of dat Matthijs van Nieuwkerk himself hier ronddwaalt, maar waar normaal gesproken in een museum toch een aangename gewijde stilte heerst, is het publiek hier continu en ook nogal hard aan het praten. En ik kan het allemaal verstaan.

„Ik heb dus helemaal niets met doodshoofden”, zegt een mevrouw die duidelijk wel iets met Afrikaanse gewaden heeft, tegen haar vriendin met wie ze samen voor een vanitasstilleven staat, uitgekozen door gastconservator Halina Reijn. „Ik heb dus helemaal níéts met Halina Reijn”, antwoordt haar vriendin. „Zij heeft iets met de dood, las ik”, praat de bont geklede vriendin opgewekt door. „Ik heb ook niets met de dood, Jolanda”, zegt de andere vrouw die daarna doorloopt naar de volgende zaal. Jolanda volgt gedwee.

„Jezus heeft meer licht nodig”, hoor ik een morsige man in de zaal van Pleij mompelen tegen niemand in het bijzonder.

In een paar zalen heerst heuse reuring. „Wist jij dat Marc-Marie zo’n goeie smaak had?”, schreeuwt een meisje even verrukt als verbaasd tegen haar vriend als ze de portretten ziet die Marc-Marie Huijbregts heeft uitgekozen. Niet alleen haar vriend, de hele zaal lijkt instemmend te juichen.

In het zaaltje van Nico Dijkshoorn zorg ik zelf voor lawaai wanneer ik de slappe lach krijg om een bijschrift bij een van de mooie schilderijen die hij koos. Ik heb nog nooit de slappe lach in m’n eentje gehad en al helemaal niet in een museum. Als ik nu navertel waar het over ging komt het niet over. Dat geldt eigenlijk voor het hele museum. U moet het zien. En horen.