Robert Holl zwerft weergaloos door het winterlandschap

De ik-figuur in de Winterreise zou een jonge man moeten zijn, die getroffen door liefdesverdriet eenzaam door een winterlandschap zwerft. Het is moeilijk je een jongeman voor te stellen als Robert Holl (1947) op het podium staat – de gelauwerde bas-bariton, iets meer bas, een grote man met grof getekend gezicht en jaren aan bagage die hij heeft opgedaan in de voornaamste operahuizen en concertzalen.

Gisteravond was de geboren Rotterdammer die al jaren in Oostenrijk woont terug in Nederland. In de nieuwe Hertz-zaal van het Utrechtse TivoliVredenburg trof hij een warme klankkast voor Franz Schuberts bekendste liederencyclus. Rudolf Jansen, met wie hij een lange geschiedenis heeft, begeleidde hem aan de piano.

Holl zette een rijkgeschakeerd personage neer. Geen radeloze zielenpoot, maar een grillige, eenzame, dolende en toch zelfverzekerde man, die zich in Frühlingstraum zelfs even als levensgenieter liet zien. Holl is een meester in tekstuitdrukking – hij licht een veelheid aan details uit, maar nergens hindert dat de woordenstroom. In het weergaloos gezongen slotlied Der Leiermann hoor je hem (in de woorden dreht en dreh’n) een zetje geven aan de draailier.

De brede, donkere kleur van zijn stem lijkt niet door de jaren aangetast, wel verslikt hij zich soms in sprongetjes in de hoogte. De manier echter waarop hij grootse klank tot intiem volume terug kan brengen, is telkens weer verbluffend. Net als de feilloze samenwerking met Jansen – het duo hoeft elkaar eigenlijk nooit aan te kijken. Holl zong met gesloten ogen, machtig goed.